Het Boek

Psalmen 77

1Een psalm van Asaf voor de koordirigent. Voor de tempelzangers.

Ik roep naar God,
ik richt mij tot Hem
en verlang ernaar
dat Hij naar mij luistert.
Als ik het moeilijk heb,
zoek ik de Here.
De hele nacht
strek ik mijn handen
naar Hem uit
en word het wachten niet moe.
Alleen Hij kan mij troosten.
Als ik aan God denk,
moet ik kreunen.
Ik word overmeesterd
door het verlangen naar zijn hulp.
Ik kan er niet van slapen
en ben zo onrustig
dat ik niet kan bidden.
Ik denk aan vroeger,
aan de jaren die voorbijgingen.
Ik herinner mij
mijn blijde musiceren van toen,
ik pieker
over het verschil tussen toen en nu.
Heeft de Here mij dan voor altijd afgewezen?
Zal Hij mij geen genade geven?
Zijn zijn goedheid en trouw
voor altijd opgehouden?
Geldt zijn belofte niet meer
voor de komende generaties?
10 Vergeet God
ons zijn genade te geven?
Heeft Hij de liefde en het medeleven
uit zijn hart gebannen?
11 Ik moet zeggen
dat het mij groot verdriet doet
dat God, de Allerhoogste,
van gedachten verandert.
12 Toch blijf ik mij de grote wonderen van de Here herinneren.
Alles wat U in het verleden hebt gedaan, zal ik gedenken.
13 Ik wil over uw werk spreken en nadenken over alles wat U deed.
14 O God, uw wegen zijn altijd goed en heilig.
Wie is zo groot als U, onze God?
15 U bent de God die wonderen doet.
U hebt de volken uw macht laten zien.
16 U hebt uw volk op een machtige manier bevrijd.
Alle zonen van Jakob en Jozef en hun nageslacht.
17 Toen het water U zag, o God,
beefde en sidderde het.
18 De wolken lieten de regen neervallen
en de donder rolde langs de hemel.
Uw pijlen werden afgeschoten.
19 Het gedreun van de donder rolde langs de hemel.
De bliksemschichten verlichtten de hele aarde.
Alles sidderde en beefde.
20 U maakte een weg dwars door de zee,
een pad door het water heen.
Daardoor konden uw voetsporen
later niet worden gevonden.
21 U leidde uw volk als een schaapskudde,
met Aäron en Mozes als herders.

Endagaano Enkadde nʼEndagaano Empya

Zabbuli 77

Ya Mukulu wa Bayimbi. Zabbuli ya Asafu.

1Nnaakaabirira Katonda ambeere,
    ddala nnaakaabirira Katonda nga musaba ampulire.
Bwe nnali mu nnaku, nanoonya Mukama,
    ekiro kyonna ne ngolola emikono gyange obutakoowa;
    emmeeme yange neegaana okusanyusibwa.

Nakujjukiranga, Ayi Katonda ne nsinda,
    ne nfumiitiriza emmeeme yange n’ezirika.
Tewaŋŋanya kwebaka; natawaanyizibwa nnyo ne sisobola kwogera.
Ne ndowooza ku biseera eby’edda,
    ne nzijukira emyaka egyayita.
Najjukiranga ennyimba zange ekiro,
    ne nfumiitiriza nga bwe neebuuza mu mutima gwange nti:

“Mukama anaatusuuliranga ddala ennaku zonna
    naataddayo kutulaga kisa kye?
Okwagala kwe okutaggwaawo kukomedde ddala?
    Kye yasuubiza kibulidde ddala emirembe n’emirembe?
Katonda yeerabidde ekisa kye?
    Asunguwalidde ddala ne yeggyako n’okusaasira kwe?”

10 Awo ne ndowooza nti, “Ebyo bye mmanyi
    eby’emyaka emingi eby’omukono ogwa ddyo ogw’oyo Ali Waggulu Ennyo.”
11 Nnajjukiranga ebikolwa bya Mukama,
    weewaawo, nnajjukiranga ebyamagero byo eby’edda.
12 Nnaafumiitirizanga ku bikolwa byo byonna eby’amaanyi;
    nnaalowoozanga ku byamagero byo byonna.
13 Ekkubo lyo, Ayi Katonda, liri mu watukuvu.
    Tewali katonda yenkana Katonda waffe.
14 Ggwe Katonda akola eby’amagero;
    era amaanyi go ogalaga mu mawanga.
15 Wanunula abantu bo n’omukono gwo,
    abazzukulu ba Yakobo ne Yusufu.

16 Amazzi gaakulaba, Ayi Katonda;
    amazzi bwe gaakulaba ne gatya,
    n’obuziba ne bukankanira ddala.
17 Ebire byayiwa amazzi
    ne bivaamu n’okubwatuka,
    era n’obusaale bwo ne bubuna.
18 Eddoboozi lyo ery’okubwatuka lyawulirwa mu kikuŋŋunta
    okumyansa kwo ne kumulisa ensi.
    Ensi n’ekankana n’enyeenyezebwa.
19 Ekkubo lyo lyali mu nnyanja;
    wayita mu mazzi amangi,
    naye ebigere mwe walinnya tebyalabika.

20 Wakulembera abantu bo ng’ekisibo,
    nga bali mu mikono gya Musa ne Alooni.