Het Boek

Psalmen 78

1Een leerzaam gedicht van Asaf.

Luister mijn volk, naar wat ik u leer.
Luister goed naar wat mijn mond zegt.
Ik wil wijze dingen zeggen
en u vertellen wat van oudsher nog een geheim was.
Wat wij weten, hebben wij van onze ouders gehoord.
Zij vertelden het ons.
Wij vertellen het weer door
aan ons nageslacht, kinderen en kleinkinderen.
Wij vertellen hun
over de grote daden van de Here,
over zijn kracht
en over de wonderen die Hij heeft gedaan.
Hij richtte in ons land gedenktekens op die aan Hem herinnerden
en gaf ons volk zijn wet, de wet van Israël.
Hij gaf onze voorouders bevel
het aan de kinderen door te geven.
Zodat steeds het volgende geslacht het zou horen.
Ieder kind dat werd geboren, moest het weten.
Daarop zouden zij het weer aan hun kinderen doorvertellen.
Zodat elke generatie haar vertrouwen op God zou stellen,
dat zij Gods werk nooit zouden vergeten
en zijn regels zouden naleven.
Opdat zij niet als hun voorouders zouden worden,
want dat waren opstandige en eigenwijze mensen.
Onevenwichtig in hun optreden en ontrouw tegenover God.
De zonen van Efraïm,
die zo goed waren in het boogschieten,
kwamen niet in het veld toen er moest worden gevochten.
10 Zij hielden Gods geboden niet
en weigerden zijn wet te gehoorzamen.
11 Zij dachten niet aan alles wat Hij had gedaan
en vergaten zijn wonderen, die zij toch hadden gezien.
12 Hun voorouders hadden zelf zijn wonderen gezien
die Hij in Egypte had gedaan, in de stad Zoan.
13 Hij spleet het water in tweeën
en leidde het volk er dwars doorheen.
Het water stond als een dam aan weerszijden van hen.
14 Overdag leidde Hij hen door een wolk die hen voorging,
en ʼs nachts door een helder licht.
15 Hij liet in de woestijn het water uit de rotsen komen,
zodat zij meer dan voldoende te drinken hadden.
16 Zo liet Hij een waterbeek uit een rots stromen,
het water kwam als een rivier naar beneden.
17 Toch bleven zij tegen Hem zondigen,
daar in die woestijn bleven zij opstandig tegen God.
18 Zij daagden Hem uit door naar lekker eten te vragen.
19 Zij verzetten zich tegen God en zeiden:
‘Kan God ons in de woestijn ook te eten geven?
20 Kijk, Hij sloeg wel tegen een rots,
zodat er rijkelijk water uit stroomde,
maar zou Hij ons dan ook wel brood kunnen geven
of het hele volk van vlees kunnen voorzien?’
21 Toen de Here dit hoorde,
werd Hij zeer verontwaardigd.
Hij ontbrandde in woede tegen de Israëlieten.
22 Want zij geloofden niet in Hem
en vertrouwden niet op zijn hulp.
23 Toen liet Hij een bevel uitgaan naar de wolken
en opende de sluizen van de hemel,
24 Hij liet het manna als voedsel op hen neerdalen:
koren uit de hemel.
25 Zo aten zij het brood van de engelen.
Hij gaf hun zoveel te eten dat iedereen genoeg had.
26 Toen liet Hij een flinke oostenwind opsteken
en ook de zuidenwind wakkerde Hij aan.
27 Het vlees kwam op hun hoofden neer,
het was zoveel dat het op regen leek.
Talloze vogels kwamen neer.
28 Zij vielen in het tentenkamp op de grond,
rond hun woningen.
29 Het volk at het en had meer dan genoeg.
Zo voldeed God aan hun verlangen.
30 Terwijl zij hun mond nog niet leeg hadden,
werden zij alweer opstandig tegen God.
31 Maar toen werd God heel boos op hen
en richtte een ware slachting aan
onder de jonge mannen van het volk.
32 Maar zij leerden hier niets van.
Zij gingen door met zondigen
en vertrouwden niet op God,
wiens wonderen zij hadden gezien.
33 Toen bracht Hij dood en verderf onder hen.
34 Pas wanneer Hij hen doodde,
gingen zij weer naar Hem vragen.
Dan zochten zij hun God en bekeerden zich.
35 Dan dachten zij er pas weer aan
dat God hun rots was
en dat God, de Allerhoogste, hen bevrijdde.
36 Maar zij logen en bedrogen Hem met wat zij zeiden.
37 Zij bleven niet bij Hem
en waren Gods verbond al weer ontrouw.
38 Maar de barmhartige God
vergaf hun zonden en vernietigde hen niet.
Vele malen nam Hij zijn woede van hen weg
en vergold hun zonden niet.
39 Hij dacht eraan dat zij maar mensen waren,
vluchtige ademtochten die niet meer terugkomen.
40 Wat waren zij in de woestijn
vaak opstandig tegen Hem
en beledigden zij Hem daar.
41 Steeds weer daagden zij God uit
en deden zij de Heilige God van Israël verdriet.
42 Zij herinnerden zich zijn macht niet,
hoe Hij hen eens bevrijd had.
43 Hoe Hij in Egypte, in de stad Zoan,
zijn wonderen en tekenen had gedaan.
44 Hij veranderde het water van de Nijl in bloed,
hetzelfde deed Hij met de zijrivieren,
zodat niemand kon drinken.
45 Hij stuurde steekvliegen
die hun het leven onmogelijk maakten
en kikkers die overal zaten.
46 Alle gewassen op de akkers
werden kaalgevreten door ongedierte
en daarna kwamen er nog sprinkhanen.
47 De hagel vernielde de druivenoogst
en de ijzel bevroor de moerbeibomen.
48 Ook het vee stierf door de hagel
en de kudden door de bliksem.
49 Hij liet over heel Egypte zijn brandende toorn neerkomen,
zijn boosheid en angstaanjagende woede.
50 Zo ging zijn toorn over heel Egypte.
Hij beschermde hen niet tegen de dood,
maar gaf hen prijs aan de pest.
51 Alle oudste zonen in Egypte stierven.
52 Hij verzamelde zijn volk, zoals men schapen verzamelt.
Als een kudde leidde Hij hen
het land Egypte uit, de woestijn in.
53 Hij bracht de Israëlieten veilig verder
en zij kenden geen angst,
want God had al hun vijanden laten verdrinken.
54 Hij bracht hen naar heilig terrein,
naar de berg die Hij voor Zichzelf had uitgekozen,
de Sinaï.
55 Hij verjoeg de volken die zij tegenkwamen.
Hij gaf Israël hun bezittingen
en liet de twaalf stammen in hun tenten wonen.
56 Maar zij bleven God uitdagen
en waren opstandig tegen God, de Allerhoogste.
Zij hielden zich ook niet aan zijn leefregels.
57 Zij gingen afgoden dienen en werden ontrouw,
zoals eens hun voorouders.
Zij beantwoordden niet aan zijn eisen.
58 Zij tergden Hem met hun afgodenaltaren
en maakten Hem jaloers met hun beeldendienst.
59 God hoorde alles en ontstak in toorn.
Hij steunde het volk niet langer.
60 Hij gaf de tabernakel over in vijandige handen.
Hij verliet hem.
61 Dit sieraad van God kwam in handen van de vijand.
62 Zijn volk kwam terecht in oorlogen,
Hij was boos op zijn volk.
63 De jonge mannen kwamen om
en de schoonheid van de meisjes werd niet meer bezongen.
64 De priesters werden gedood
en de weduwen konden niet meer huilen.
65 Toen werd de Here wakker,
net als een soldaat die van de wijn in slaap gevallen was.
66 Hij sloeg zijn tegenstanders van achteren neer
en versloeg hen smadelijk.
67 Hij kwam niet terug bij de stammen van Jozef.
Efraïm werd niet meer uitgekozen.
68 Hij koos de stam van Juda,
de berg Sion, waarvan Hij zoveel houdt.
69 Daar bouwde Hij zijn nieuwe huis,
het stond er net zo vast als de aarde na de schepping.
70 Zijn knecht David koos Hij uit
en Hij haalde hem weg achter de schapen.
71 Hij hoefde geen schapen meer te weiden, maar nu een volk.
Het volk van Jakob, Israël, werd zijn nieuwe kudde.
72 David weidde het volk met een oprecht hart
en gaf het kundig leiding.

Endagaano Enkadde nʼEndagaano Empya

Zabbuli 78

Oluyimba lwa Asafu.

1Muwulire okuyigiriza kwange mmwe abantu bange,
    musseeyo omwoyo ku bye njogera.
Ndyogerera mu ngero,
    njogere ebintu eby’ekyama ebyaliwo edda,
ebintu bye twawulira ne tumanya;
    ebintu bajjajjaffe bye baatutegeeza.
Tetuubikisenga baana baabwe,
    naye tunaabuuliranga buli mulembe ogunnaddangawo
ebikolwa bya Mukama eby’ekitalo,
    n’amaanyi ge n’ebyamagero bye yakola.
Yawa Yakobo ebiragiro,
    n’ateeka amateeka mu Isirayiri;
n’alagira bajjajjaffe
    babiyigirizenga abaana baabwe,
ab’omu mulembe oguliddirira nabo babimanye,
    n’abaana abalizaalibwa,
    nabo babiyigirize abaana baabwe,
balyoke beesigenga Katonda,
    era balemenga okwerabira ebyo byonna Katonda bye yakola;
    naye bagonderenga ebiragiro bye.
Baleme okuba nga bajjajjaabwe,
    omulembe ogw’abakakanyavu
era abajeemu abatali bawulize,
    ab’emyoyo egitali myesigwa eri Katonda.

Abaana ba Efulayimu abaalina obusaale obw’okulwanyisa,
    naye ne badduka mu lutalo,
10 tebaatuukiriza ndagaano ya Katonda;
    ne bagaana okugondera amateeka ga Mukama.
11 Beerabira ebyo bye yakola,
    n’ebyamagero bye yabalaga.
12 Yakola ebyamagero mu maaso ga bajjajjaabwe nga bali
    mu nsi y’e Misiri, mu kitundu kya Zowani.
13 Ennyanja yajaawulamu,
    amazzi ne geetuuma ebbali n’ebbali ng’ebisenge.
14 Emisana yabakulemberanga n’ekire,
    n’ekiro n’abakulemberanga n’empagi ey’omuliro.
15 Yayasa enjazi mu ddungu,
    n’abawa amazzi amangi agaali ng’agava mu buziba bw’ennyanja.
16 Yaggya ensulo mu lwazi,
    n’akulukusa amazzi ng’emigga.

17 Naye bo ne beeyongera bweyongezi okwonoona,
    ne bajeemera Oyo Ali Waggulu Ennyo nga bali mu ddungu.
18 Ne bagezesa Katonda mu bugenderevu,
    nga bamusaba emmere gye baalulunkanira.
19 Era ne boogera ku Katonda; nga bagamba nti,
    “Katonda asobola okutuliisiza mu ddungu?
20 Weewaawo yakuba olwazi,
    amazzi ne gakulukuta ng’emigga;
naye anaatuwa emmere?
    Anaawa abantu be ennyama?”
21 Awo Mukama bwe yawulira ebyo n’asunguwala nnyo;
    omuliro gwe ne gwaka ku Yakobo,
    n’obusungu bwe ne bubuubuukira ku Isirayiri.
22 Kubanga tebakkiriza Katonda,
    era tebeesiga maanyi ge agalokola.
23 Naye era n’alagira eggulu;
    n’aggulawo enzigi z’omu ggulu.
24 N’abaweereza maanu okuva mu ggulu balye.
    Yabawa emmere eyava mu ggulu.
25 Abantu ne balya emmere ya bamalayika;
    Mukama n’abawanga emmere nnyingi eyabamaliranga ddala.
26 N’akunsa empewo ey’Ebuvanjuba okuva mu ggulu,
    era n’aweereza empewo okuva obukiika obwaddyo n’amaanyi ge.
27 Yatonnyesa ennyama okuva mu ggulu ennyingi ennyo ng’enfuufu;
    n’abaweereza n’obunyonyi enkumu ennyo ng’omusenyu gw’okulubalama lw’ennyanja.
28 Ebyokulya ebyo n’abisuula wakati mu lusiisira lwabwe;
    okwetooloola eweema zaabwe.
29 Awo ne balya ne bakkuta nnyo;
    kubanga yabawa kye baali bayaayaanira.
30 Naye bwe baali nga bakyalulunkana,
    nga n’emmere ekyali mu kamwa kaabwe,
31 obusungu bwa Mukama ne bubabuubuukirako,
    n’abattamu abasajja abasinga amaanyi;
    abavubuka ba Isirayiri ne bazikirizibwa.

32 Naye newaakubadde ebyo byonna byabatuukako, kyokka beeyongera okwonoona;
    newaakubadde nga yabakolera ebyamagero, naye tebakkiriza.
33 Mukama kyeyava asala ku myaka gyabwe,
    n’abaleetako okuzikirizibwa okw’amangu era okw’entiisa.
34 Bwe yattanga abamu ku bo, ne balyoka bamunoonya,
    ne beenenya ne badda gy’ali.
35 Ne bajjukira nti Katonda lwe Lwazi lwabwe;
    era nti Katonda Ali Waggulu Ennyo ye Mununuzi waabwe.
36 Kyokka baamuwaananga n’emimwa gyabwe,
    nga bwe bamulimba n’ennimi zaabwe,
37 so tebaali beesigwa mu mitima gyabwe,
    era nga tebatuukiriza ndagaano ye.
38 Naye ye n’abakwatirwanga ekisa
    n’abasonyiwanga,
    n’atabazikiriza;
emirundi n’emirundi ng’akoma ku busungu bwe,
    n’atabamalirako kiruyi kye okubazikiririza ddala.
39 Yajjukira nga baali mubiri bubiri;
    ng’empewo egenda n’etedda!

40 Baamujeemeranga nnyo bwe baali mu ddungu;
    ne banakuwaza nnyo omutima gwe.
41 Ne baddamu ne bakema Katonda,
    ne banyiiza Omutukuvu wa Isirayiri.
42 Tebajjukira buyinza bwe;
    wadde olunaku lwe yabanunulirako mu mikono gy’omulabe;
43 bwe yalaga obubonero bwe mu Misiri,
    n’ebyamagero bye mu kitundu kya Zowani,
44 yafuula amazzi g’emigga gyabwe omusaayi,
    ne batanywa mazzi gaagyo.
45 Yabaweereza agabinja g’ensowera ne zibaluma,
    n’abaweereza n’ebikere ne bibadaaza.
46 Ebirime n’ebibala byabwe yabiwa enzige
    ne bulusejjera.
47 Yazikiriza emizabbibu gyabwe n’omuzira,
    era ne gukuba n’emisukomooli gyabwe.
48 Yatta ente zaabwe n’amayinja g’omuzira;
    n’ebisibo byabwe ne bittibwa eraddu.
49 Obusungu bwe obungi bwababuubuukirako,
    n’ekiruyi kye n’obukambwe ne bibamalamu ensa.
    N’alyoka abasindikira ekibinja kya bamalayika okubazikiriza.
50 Yabalaga obusungu bwe,
    n’atabasonyiwa kufa,
    n’abasindikira kawumpuli.
51 Yatta ababereberye bonna ab’omu Misiri,
    nga be bavubuka ab’ebibala ebibereberye eby’omu nnyumba ya Kaamu.
52 N’alyoka afulumya abantu be ng’endiga,
    n’abatambuza mu ddungu ng’ekisibo.
53 N’abaluŋŋamya mu mirembe nga tebatya,
    ennyanja n’esaanyaawo abalabe baabwe.
54 N’abatuusa ku nsalo y’ensi entukuvu;
    ku lusozi lwe yeewangulira, n’omukono gwe ogwa ddyo.
55 Yagobamu amawanga nga balaba,
    n’abagabanyiza ebitundu by’ensi eyo;
    n’atuuza bulungi ebika bya Isirayiri mu maka gaabyo.
56 Naye era ne bakema Katonda;
    ne bamujeemera oyo Ali Waggulu Ennyo,
    ne bagaana okugondera ebiragiro bye.
57 Ne bamuvaako ne baba bakuusa nga bajjajjaabwe bwe baali,
    ne baggwaamu obwesigwa ng’omutego gw’obusaale omukyamu.
58 Kubanga baasunguwaza Katonda olw’ebifo ebigulumivu bo bye beegunjira okusinzizangamu,
    ne bamukwasa obuggya olwa bakatonda baabwe abalala.
59 Katonda bwe yabiraba n’asunguwala nnyo, n’aviira ddala ku Isirayiri.
60 N’ava mu weema ey’omu Siiro[a],
    eweema mwe yabeeranga ng’ali mu bantu be.
61 N’awaayo amaanyi ge mu busibe,
    n’ekitiibwa kye n’akiwaayo eri omulabe.
62 Abantu be yabaleka ne battibwa n’ekitala,
    n’asunguwalira omugabo gwe.
63 Omuliro ne gusaanyaawo abavubuka baabwe abalenzi,
    ne bawala baabwe ne babulwa ow’okubawasa.
64 Bakabona baabwe battibwa n’ekitala, ne bannamwandu baabwe tebaasobola kubakungubagira.

65 Awo Mukama n’alyoka agolokoka ng’ali nga ava mu tulo,
    ng’omusajja omuzira azuukuka mu tulo ng’atamidde.
66 N’akuba abalabe be ne badduka;
    n’abaswaza emirembe gyonna.
67 Mukama yaleka ennyumba ya Yusufu,
    n’ekika kya Efulayimu n’atakironda;
68 naye n’alonda ekika kya Yuda,
    lwe lusozi Sayuuni lwe yayagala.
69 N’azimba awatukuvu we ne wagulumira ng’ensozi empanvu;
    ne waba ng’ensi gye yanyweza emirembe gyonna.
70 Yalonda Dawudi omuweereza we;
    n’amuggya mu kulunda endiga.
71 Ave mu kuliisa endiga,
    naye alundenga Yakobo, be bantu be,
    era alabirirenga Isirayiri omugabo gwe, gwe yeerondera.
72 N’abalabirira n’omutima ogutaliimu bukuusa,
    n’abakulembera n’amagezi g’emikono gye.

Notas al pie

  1. 78:60 Siiro kye kyali ekifo ekitukuvu awasinzibwanga edda mu biro bya Yoswa. Kyali mu bitundu bya Efulayimu wakati wa Beseri ne Sekemu. Essanduuko y’Endagaano yaterekebwanga eyo okutuusa mu biro bya Samwiri; kyokka Abafirisuuti baakizikiriza