Het Boek

Psalmen 21:1-14

1Een psalm van David voor de koordirigent.

2Here, de koning verheugt zich

over uw macht,

met vreugde spreekt hij

over het heil dat U geeft.

3U vervulde

zijn grootste wens.

Wat hij U vroeg,

hebt U hem niet geweigerd.

4U komt hem tegemoet

met overvloed

en geeft hem

een prachtige gouden kroon.

5Hij vroeg U

te mogen leven,

dat stond U hem toe

tot in hoge ouderdom.

6Dankzij U

is hij beroemd en geëerd.

U gaf hem

aanzien en majesteit.

7U zegent hem rijk

en geeft hem

een hart vol blijdschap.

8Allemaal omdat de koning

op de Here vertrouwt,

door de goedheid en de liefde

van God, de Allerhoogste,

faalt hij niet.

9Here, U weet uw vijanden te vinden.

Wie U haten,

zullen niet aan U ontkomen.

10Wanneer U komt, Here,

zullen zij door uw toorn verbranden,

U zult hen vernietigen.

In het vuur zullen zij omkomen.

11Zelfs hun kinderen

zult U wegdoen van deze aarde

en hun nageslacht zal niet bestaan.

12Als zij proberen U kwaad te doen

en slechte plannen maken,

zal dat hun niet lukken.

13U laat hen vluchten,

U richt uw pijlen op hun gezicht.

14Toon uw kracht, Here,

dan zullen wij

liederen zingen tot uw eer.

King James Version

Psalms 21:1-13

To the chief Musician, A Psalm of David.

1The king shall joy in thy strength, O LORD; and in thy salvation how greatly shall he rejoice!

2Thou hast given him his heart’s desire, and hast not withholden the request of his lips. Selah.

3For thou preventest him with the blessings of goodness: thou settest a crown of pure gold on his head.

4He asked life of thee, and thou gavest it him, even length of days for ever and ever.

5His glory is great in thy salvation: honour and majesty hast thou laid upon him.

6For thou hast made him most blessed for ever: thou hast made him exceeding glad with thy countenance.21.6 made him most…: Heb. set him to be blessings21.6 made him exceeding…: Heb. make him glad with joy

7For the king trusteth in the LORD, and through the mercy of the most High he shall not be moved.

8Thine hand shall find out all thine enemies: thy right hand shall find out those that hate thee.

9Thou shalt make them as a fiery oven in the time of thine anger: the LORD shall swallow them up in his wrath, and the fire shall devour them.

10Their fruit shalt thou destroy from the earth, and their seed from among the children of men.

11For they intended evil against thee: they imagined a mischievous device, which they are not able to perform.

12Therefore shalt thou make them turn their back, when thou shalt make ready thine arrows upon thy strings against the face of them.21.12 shalt thou…: or, thou shalt set them as a butt21.12 back: Heb. shoulder

13Be thou exalted, LORD, in thine own strength: so will we sing and praise thy power.