The Message

Psalm 109

A David Prayer

11-5 My God, don’t turn a deaf ear to my hallelujah prayer.
    Liars are pouring out invective on me;
Their lying tongues are like a pack of dogs out to get me,
    barking their hate, nipping my heels—and for no reason!
I loved them and now they slander me—yes, me!—
    and treat my prayer like a crime;
They return my good with evil,
    they return my love with hate.

6-20 Send the Evil One to accuse my accusing judge;
    dispatch Satan to prosecute him.
When he’s judged, let the verdict be “Guilty,”
    and when he prays, let his prayer turn to sin.
Give him a short life,
    and give his job to somebody else.
Make orphans of his children,
    dress his wife in widow’s weeds;
Turn his children into begging street urchins,
    evicted from their homes—homeless.
May the bank foreclose and wipe him out,
    and strangers, like vultures, pick him clean.
May there be no one around to help him out,
    no one willing to give his orphans a break.
Chop down his family tree
    so that nobody even remembers his name.
But erect a memorial to the sin of his father,
    and make sure his mother’s name is there, too—
Their sins recorded forever before God,
    but they themselves sunk in oblivion.
That’s all he deserves since he was never once kind,
    hounded the afflicted and heartbroken to their graves.
Since he loved cursing so much,
    let curses rain down;
Since he had no taste for blessing,
    let blessings flee far from him.
He dressed up in curses like a fine suit of clothes;
    he drank curses, took his baths in curses.
So give him a gift—a costume of curses;
    he can wear curses every day of the week!
That’s what they’ll get, those out to get me—
    an avalanche of just deserts from God.

21-25 Oh, God, my Lord, step in;
    work a miracle for me—you can do it!
Get me out of here—your love is so great!—
    I’m at the end of my rope, my life in ruins.
I’m fading away to nothing, passing away,
    my youth gone, old before my time.
I’m weak from hunger and can hardly stand up,
    my body a rack of skin and bones.
I’m a joke in poor taste to those who see me;
    they take one look and shake their heads.

26-29 Help me, oh help me, God, my God,
    save me through your wonderful love;
Then they’ll know that your hand is in this,
    that you, God, have been at work.
Let them curse all they want;
    you do the blessing.
Let them be jeered by the crowd when they stand up,
    followed by cheers for me, your servant.
Dress my accusers in clothes dirty with shame,
    discarded and humiliating old ragbag clothes.

30-31 My mouth’s full of great praise for God,
    I’m singing his hallelujahs surrounded by crowds,
For he’s always at hand to take the side of the needy,
    to rescue a life from the unjust judge.

Het Boek

Psalmen 109

1Een psalm van David voor de koordirigent.

Mijn God, die ik loof,
blijf niet langer zwijgen.
Mijn tegenstanders hebben
bedrieglijke taal tegen mij gesproken,
dingen die tegen uw wil ingaan.
Zij liegen.
De haat druipt van hun woorden af
en zij zijn opstandig tegen mij,
zonder enige reden.
Ik heb hen liefgehad,
maar als dank keren zij zich tegen mij.
Ik wend mij echter tot U,
alleen door gebed wil ik dit oplossen.
In plaats van goed
spreken zij kwaad over mij
en geven mij haat
als beloning voor al mijn liefde.
Stel een ongelovige rechter
over mijn tegenstander aan
en laat de aanklager naast hem staan.
Laat het hof hem maar schuldig verklaren.
Zijn gebed wordt hem tot zonde.
Laat hem jong sterven
en laat een ander zijn taak overnemen.
Zijn kinderen zullen wezen worden
en zijn vrouw gaat het leven verder als weduwe door.
10 Laten zijn kinderen maar overal ronddwalen
en bedelen voor de kost,
zij zullen overal weggejaagd worden.
11 De man bij wie hij schulden heeft,
zal zijn bezit opeisen,
laten vreemdelingen maar plunderen
wat hij met veel moeite bij elkaar verzamelde.
12 Ik hoop dat er niemand is
die hem nog enige liefde bewijst,
dat niemand zorgt
voor zijn tot wees geworden kinderen.
13 Zijn nageslacht moet worden uitgeroeid,
zijn naam mag in de volgende generatie al niet meer bestaan.
14 De zonden van zijn ouders en voorouders
moeten de Here voor ogen blijven staan.
15 Laat de Here Zich deze voortdurend herinneren,
want dan zal Hij elke herinnering aan hen vernietigen.
16 Want mijn tegenstander piekerde er niet over
om wie dan ook maar liefde te bewijzen.
Integendeel, hij vervolgde de armen,
de ellendigen en de zwakken om hen te doden.
17 Laten de vloeken die hij zo graag uitsprak
maar over hemzelf komen.
Hij wilde niet over de zegen praten:
laat die nu dan ook maar ver van hem blijven.
18 De vloek was als een mantel om hem heen:
laat die hem nu helemaal vervullen,
tot hij er ziek van wordt.
19 Laat die vloek nu maar helemaal om hem heen zijn,
als een riem die hij dag en nacht draagt.
20 Ik hoop dat de Here mijn tegenstanders
op deze manier zal belonen,
dat dit zal gebeuren
met ieder die kwaad van mij spreekt.
21 Here, mijn God, wilt U met mij omgaan
tot eer van uw naam?
Red mij toch, want ik weet
hoe groot uw goedheid en liefde zijn.
22 Zelf ben ik er ellendig aan toe
en ik ben arm.
Mijn hart ligt als een gewond dier in mijn lichaam.
23 Als een langer wordende schaduw
zal ik straks verdwijnen,
ik word weggeschud
alsof ik een lastige sprinkhaan ben.
24 Doordat ik niet eet,
trillen mijn knieën
en ik ben mager geworden.
25 Ik ben een bespotting voor anderen.
Wie mij ziet,
bekijkt mij hoofdschuddend.
26 Here, mijn God,
help mij toch en bevrijd mij.
Dat past immers bij uw goedheid en uw liefde?
27 Dan zullen anderen erkennen
dat U dit hebt gedaan.
Here, zij zullen dan zeggen
dat uw hand mij behulpzaam was.
28 Ook al vervloeken zij mij,
wilt U mij zegenen?
En als zij zich boven mij willen stellen,
wilt U hen dan te schande zetten?
Laat ik mij in U verheugen.
29 Overdek mijn tegenstanders met schaamte
en laat hun schande hen omhullen.
30 Zelf zal ik hardop de Here loven en prijzen,
velen zullen het horen.
31 Want God helpt de armen
en verlost hen van hun onderdrukkers.