The Message

Psalm 106

11-3 Hallelujah!
Thank God! And why?
    Because he’s good, because his love lasts.
But who on earth can do it—
    declaim God’s mighty acts, broadcast all his praises?
You’re one happy man when you do what’s right,
    one happy woman when you form the habit of justice.

4-5 Remember me, God, when you enjoy your people;
    include me when you save them;
I want to see your chosen succeed,
    celebrate with your celebrating nation,
    join the Hallelujahs of your pride and joy!

6-12 We’ve sinned a lot, both we and our parents;
    We’ve fallen short, hurt a lot of people.
After our parents left Egypt,
    they took your wonders for granted,
    forgot your great and wonderful love.
They were barely beyond the Red Sea
    when they defied the High God
    —the very place he saved them!
    —the place he revealed his amazing power!
He rebuked the Red Sea so that it dried up on the spot
    —he paraded them right through!
    —no one so much as got wet feet!
He saved them from a life of oppression,
    pried them loose from the grip of the enemy.
Then the waters flowed back on their oppressors;
    there wasn’t a single survivor.
Then they believed his words were true
    and broke out in songs of praise.

13-18 But it wasn’t long before they forgot the whole thing,
    wouldn’t wait to be told what to do.
They only cared about pleasing themselves in that desert,
    provoked God with their insistent demands.
He gave them exactly what they asked for—
    but along with it they got an empty heart.
One day in camp some grew jealous of Moses,
    also of Aaron, holy priest of God.
The ground opened and swallowed Dathan,
    then buried Abiram’s gang.
Fire flared against that rebel crew
    and torched them to a cinder.

19-22 They cast in metal a bull calf at Horeb
    and worshiped the statue they’d made.
They traded the Glory
    for a cheap piece of sculpture—a grass-chewing bull!
They forgot God, their very own Savior,
    who turned things around in Egypt,
Who created a world of wonders in the Land of Ham,
    who gave that stunning performance at the Red Sea.

23-27 Fed up, God decided to get rid of them—
    and except for Moses, his chosen, he would have.
But Moses stood in the gap and deflected God’s anger,
    prevented it from destroying them utterly.
They went on to reject the Blessed Land,
    didn’t believe a word of what God promised.
They found fault with the life they had
    and turned a deaf ear to God’s voice.
Exasperated, God swore
    that he’d lay them low in the desert,
Scattering their children hither and yon,
    strewing them all over the earth.

28-31 Then they linked up with Baal Peor,
    attending funeral banquets and eating idol food.
That made God so angry
    that a plague spread through their ranks;
Phinehas stood up and pled their case
    and the plague was stopped.
This was counted to his credit;
    his descendants will never forget it.

32-33 They angered God again at Meribah Springs;
    this time Moses got mixed up in their evil;
Because they defied God yet again,
    Moses exploded and lost his temper.

34-39 They didn’t wipe out those godless cultures
    as ordered by God;
Instead they intermarried with the heathen,
    and in time became just like them.
They worshiped their idols,
    were caught in the trap of idols.
They sacrificed their sons and daughters
    at the altars of demon gods.
They slit the throats of their babies,
    murdered their infant girls and boys.
They offered their babies to Canaan’s gods;
    the blood of their babies stained the land.
Their way of life stank to high heaven;
    they lived like whores.

40-43 And God was furious—a wildfire anger;
    he couldn’t stand even to look at his people.
He turned them over to the heathen
    so that the people who hated them ruled them.
Their enemies made life hard for them;
    they were tyrannized under that rule.
Over and over God rescued them, but they never learned—
    until finally their sins destroyed them.

44-46 Still, when God saw the trouble they were in
    and heard their cries for help,
He remembered his Covenant with them,
    and, immense with love, took them by the hand.
He poured out his mercy on them
    while their captors looked on, amazed.

47 Save us, God, our God!
    Gather us back out of exile
So we can give thanks to your holy name
    and join in the glory when you are praised!

48 Blessed be God, Israel’s God!
Bless now, bless always!
Oh! Let everyone say Amen!
Hallelujah!

Het Boek

Psalmen 106

1Halleluja! Prijs de Here.
Hij is een goede God,
want zijn goedheid en liefde zijn eeuwig.
Zou er iemand zijn
die alle goede daden van de Here
kan omschrijven?
Die Hem alle eer kan brengen
waarop Hij recht heeft?
Gelukkig zijn de mensen
die rechtvaardig leven,
die altijd eerlijk en oprecht optreden.
Denk toch aan mij, Here.
U houdt immers van uw volk?
Red mij!
Dan zal ik alle zegeningen
die U voor uw volk hebt weggelegd,
ook mogen zien.
Dan kan ik mij met uw volk verheugen
en dankbaar zijn met het land
dat U ons hebt gegeven.
Net als onze voorouders
hebben wij heel erg gezondigd.
Wij hebben niet geleefd en gehandeld
volgens uw wil.
Onze voorouders in Egypte
hechtten geen waarde aan uw wonderen.
Zij dachten niet
aan de zeer vele zegeningen
waarmee U hen overlaadde.
Integendeel,
zij kwamen tegen U in opstand bij de Rietzee.
God verloste hen echter toch,
ter wille van zijn eigen naam.
Zo werd zijn grote kracht zichtbaar.
Hij had de macht over die Rietzee
en maakte er een droge weg doorheen.
Zo liepen zij door die watermassa
alsof het een woestijn was.
10 God verloste zijn volk
uit de macht van hun achtervolgers,
11 die overspoeld werden door het water van de Rietzee:
niemand van hen bleef in leven.
12 Toen pas geloofden zij Hem op zijn woord,
zij zongen lofliederen voor Hem.
13 Maar al gauw vergaten zij weer
wat Hij allemaal had gedaan,
zij vroegen God niet om raad.
14 Zij wilden afgoden gaan vereren in de woestijn
en zo daagden zij God uit daar in die woestenij.
15 Zij kregen van Hem wat zij wilden,
maar een deel van het volk kwam om.
16 In het kamp werden zij jaloers op Mozes en Aäron,
die door de Here waren uitgekozen.
17 De aarde ging open en Datan werd verzwolgen,
en met hem ook Abiram
en degenen die met hem gezondigd hadden.
18 Het vuur verbrandde allen die God hadden uitgedaagd.
19 Toen maakten zij bij de berg Horeb een gouden kalf,
zij knielden ervoor neer alsof het een god was.
20 God, de Allerhoogste, ruilden zij in
voor een beeld van een grasetende koe!
21 Zij vergaten God,
die hen uit Egypte had bevrijd
en daarvoor grote wonderen had verricht,
22 al die prachtige wonderen in Egypte
en bij de Rietzee.
23 Op dat moment nam de Here Zich voor
hen te vernietigen.
Maar Mozes, zijn vriend,
kwam voor hen tussenbeide
en voorkwam het.
24 Het prachtige land waar zij naar toe gingen,
verwierpen zij
en ze geloofden niet wat God had gezegd.
25 Zij mopperden in hun tenten
en luisterden niet naar wat de Here zei.
26 Toen werd Hij werkelijk toornig
en zwoer een eed
dat Hij hen allemaal
in de woestijn zou laten sterven.
27 Ook hun nageslacht
zou Hij uiteindelijk
onder vreemde volken laten sterven,
hen wegvoeren naar vreemde landen.
28 Toen zij Baäl-Peor gingen aanbidden
en zelfs de offers van doden aten.
29 Toen zij Hem uitdaagden en kwetsten
door alles wat zij deden,
brak er een plaag uit.
30 Maar de priester Pinechas kwam naar voren,
vond de schuldigen en strafte hen.
Toen hield de plaag ook op.
31 Deze goede daad van hem is nooit vergeten,
altijd zal God Zich dit blijven herinneren.
32 Bij het water van Meriba maakten
de Israëlieten Hem opnieuw boos.
Door hun schuld ging Mozes ook zondigen.
33 Zij waren opstandig tegen de Geest van God
en zonder nadenken sprak hij toen.
34 Ook roeiden zij de volken
die in het land woonden niet allemaal uit,
hoewel de Here dat toch duidelijk had bevolen.
35 In plaats daarvan lieten zij zich in
met die heidense volken
en namen dingen van hen over.
36 Zij dienden hun afgoden
en dat werd uiteindelijk hun ondergang.
37 Hun zonen en dochters offerden zij
aan de boze geesten.
38 Zo vloeide het onschuldige bloed
van hun eigen kinderen.
Zij offerden hen aan de afgoden van het land Kanaän
en het land werd ontheiligd door deze bloedschuld.
39 Door alles wat zij deden,
verontreinigden zij zich voor God.
Door wat zij deden,
pleegden zij overspel:
zij verlieten God en volgden de afgoden.
40 Toen brandde de toorn van de Here tegen hen los.
Hij walgde van zijn volk en hun land.
41 Daarom gaf Hij hen over
in de macht van vreemde volken,
hun vijanden overheersten hen.
42 Zij zuchtten onder de verdrukking
en overmacht van hun tegenstanders.
43 Zo redde God hen vele keren,
maar zij bleven hun eigen weg gaan.
Uiteindelijk was er geen redden meer aan.
44 Telkens echter wanneer God hun onderdrukking zag
en hun kermen hoorde,
45 herinnerde Hij Zich zijn verbond met hen.
Dat was in hun voordeel.
Dan kreeg God,
in zijn grote goedheid en trouw,
medelijden met hen.
46 Steeds vonden zij Hem
en warmden zich aan zijn liefde en vergeving.
Hun ontvoerders stuurden hen zelfs
weer terug naar hun land.
47 Bevrijd ons, Here!
U bent onze God.
Breng ons weer bij elkaar uit alle landen
waarheen wij zijn weggevoerd.
Dan kunnen wij weer met elkaar
uw heilige naam prijzen
en U alle eer brengen.
48 De Here, de God van Israël,
komt alle eer toe!
Van eeuwigheid tot eeuwigheid!
Laat het hele volk
dat bevestigen en ‘amen’ zeggen.
Prijs de Here!