The Message

Judges 7

1Jerub-Baal (Gideon) got up early the next morning, all his troops right there with him. They set up camp at Harod’s Spring. The camp of Midian was in the plain, north of them near the Hill of Moreh.

2-3 God said to Gideon, “You have too large an army with you. I can’t turn Midian over to them like this—they’ll take all the credit, saying, ‘I did it all myself,’ and forget about me. Make a public announcement: ‘Anyone afraid, anyone who has any qualms at all, may leave Mount Gilead now and go home.’” Twenty-two companies headed for home. Ten companies were left.

4-5 God said to Gideon: “There are still too many. Take them down to the stream and I’ll make a final cut. When I say, ‘This one goes with you,’ he’ll go. When I say, ‘This one doesn’t go,’ he won’t go.” So Gideon took the troops down to the stream.

5-6 God said to Gideon: “Everyone who laps with his tongue, the way a dog laps, set on one side. And everyone who kneels to drink, drinking with his face to the water, set to the other side.” Three hundred lapped with their tongues from their cupped hands. All the rest knelt to drink.

God said to Gideon: “I’ll use the three hundred men who lapped at the stream to save you and give Midian into your hands. All the rest may go home.”

After Gideon took all their provisions and trumpets, he sent all the Israelites home. He took up his position with the three hundred. The camp of Midian stretched out below him in the valley.

9-12 That night, God told Gideon: “Get up and go down to the camp. I’ve given it to you. If you have any doubts about going down, go down with Purah your armor bearer; when you hear what they’re saying, you’ll be bold and confident.” He and his armor bearer Purah went down near the place where sentries were posted. Midian and Amalek, all the easterners, were spread out on the plain like a swarm of locusts. And their camels! Past counting, like grains of sand on the seashore!

13 Gideon arrived just in time to hear a man tell his friend a dream. He said, “I had this dream: A loaf of barley bread tumbled into the Midianite camp. It came to the tent and hit it so hard it collapsed. The tent fell!”

14 His friend said, “This has to be the sword of Gideon son of Joash, the Israelite! God has turned Midian—the whole camp!—over to him.”

15 When Gideon heard the telling of the dream and its interpretation, he went to his knees before God in prayer. Then he went back to the Israelite camp and said, “Get up and get going! God has just given us the Midianite army!”

16-18 He divided the three hundred men into three companies. He gave each man a trumpet and an empty jar, with a torch in the jar. He said, “Watch me and do what I do. When I get to the edge of the camp, do exactly what I do. When I and those with me blow the trumpets, you also, all around the camp, blow your trumpets and shout, ‘For God and for Gideon!’”

19-22 Gideon and his hundred men got to the edge of the camp at the beginning of the middle watch, just after the sentries had been posted. They blew the trumpets, at the same time smashing the jars they carried. All three companies blew the trumpets and broke the jars. They held the torches in their left hands and the trumpets in their right hands, ready to blow, and shouted, “A sword for God and for Gideon!” They were stationed all around the camp, each man at his post. The whole Midianite camp jumped to its feet. They yelled and fled. When the three hundred blew the trumpets, God aimed each Midianite’s sword against his companion, all over the camp. They ran for their lives—to Beth Shittah, toward Zererah, to the border of Abel Meholah near Tabbath.

23 Israelites rallied from Naphtali, from Asher, and from all over Manasseh. They had Midian on the run.

24 Gideon then sent messengers through all the hill country of Ephraim, urging them, “Come down against Midian! Capture the fords of the Jordan at Beth Barah.”

25 So all the men of Ephraim rallied and captured the fords of the Jordan at Beth Barah. They also captured the two Midianite commanders Oreb (Raven) and Zeeb (Wolf). They killed Oreb at Raven Rock; Zeeb they killed at Wolf Winepress. And they pressed the pursuit of Midian. They brought the heads of Oreb and Zeeb to Gideon across the Jordan.

Het Boek

Richteren 7

De aanval op de Midjanieten

1Gideon en zijn leger stonden ʼs ochtends vroeg op en trokken naar de bron Harod, waar zij hun kamp opsloegen. De troepen van Midjan waren in het dal beneden hen gelegerd, aan de noordelijke kant van de heuvel Moré. De Here zei tegen Gideon: ‘Uw leger is te groot! Ik wil u niet allemaal tegen de Midjanieten laten vechten, want anders zouden de Israëlieten weleens de eer van de overwinning voor zichzelf kunnen opeisen en denken dat zij zichzelf hebben bevrijd! Zeg maar tegen het volk: “Wie bang is, mag naar huis gaan.” ’ Toen gingen tweeëntwintigduizend mannen naar huis terug en er bleven slechts tienduizend over die bereid waren te vechten. Maar de Here zei tegen Gideon: ‘Het zijn er nog steeds te veel! Laat hen naar het water gaan en daar zal Ik u laten zien wie met u zal meegaan en wie niet.’ Toen ging Gideon met zijn mannen naar het water en de Here zei tegen hem: ‘Verdeel hen in twee groepen op grond van de manier waarop zij water drinken. De ene groep zijn de mannen die het opslurpen als een hond. Tot de andere groep behoort ieder die op de knieën gaat liggen om direct met zijn mond uit het water te drinken.’ Slechts driehonderd mannen dronken uit hun handen, alle anderen dronken geknield met hun mond uit het water. ‘Ik zal de Midjanieten verslaan met deze driehonderd man!’ zei de Here tegen Gideon. ‘Stuur alle anderen naar huis.’ Nadat Gideon al het voedsel en horens die zij bij zich hadden had verzameld, stuurde hij hen naar huis, alleen de driehonderd mannen bleven bij hem achter.

Die nacht, terwijl de Midjanieten beneden hen in het dal lagen, zei de Here tegen Gideon: ‘Sta op, val de Midjanieten aan, want Ik zal u de overwinning bezorgen! 10 Als u echter nog voor de aanval terugschrikt, ga dan eerst met uw knecht Pura naar hun legerplaats. 11 Luister goed naar wat de mensen daar tegen elkaar zeggen! Dat zal u moed geven om aan te vallen.’ Gideon nam Pura mee en samen slopen zij in het donker naar beneden tot aan de buitenste wachtpost van het vijandelijke kamp. 12 De enorme legers van Midjan, Amalek en de stammen uit het oosten waren in het dal neergestreken als een zwerm sprinkhanen. Zij hadden een ontelbaar aantal kamelen bij zich, even talrijk als het zand op het strand. 13 Toen Gideon dichterbij sloop, hoorde hij juist een soldaat tegen zijn kameraad zeggen: ‘Ik heb zo iets raars gedroomd. Ik droomde dat een groot gerstebrood ons kamp kwam binnenrollen. Het stootte tegen een tent en gooide die om en de hele tent zakte in elkaar!’ 14 De andere soldaat antwoordde: ‘Dat kan maar één ding betekenen! De Israëliet Gideon, de zoon van Joas, zal ons aanvallen en God zal ons en onze bondgenoten in zijn handen laten vallen!’

15 Zodra Gideon de droom en zijn uitleg had gehoord, kon hij niets anders doen dan God in aanbidding danken! Hij ging terug naar zijn mannen en riep: ‘Sta op, want de Here gaat u helpen de Midjanieten te verslaan!’ 16 Hij verdeelde zijn leger van driehonderd man in drie groepen en gaf iedere man een hoorn en een aardewerken kruik met daarin een fakkel verborgen. Toen legde hij zijn plan uit. 17 ‘Wanneer wij bij de buitenste wachtpost van het kamp zijn aangekomen,’ zei hij, ‘let dan op mij. Doe wat ik doe. 18 Zodra ik en de mannen van mijn groep op onze horens blazen, moeten jullie ook van alle kanten om het kamp gaan blazen en roepen: “Te wapen voor de Here en voor Gideon!” ’

19 Het was juist na middernacht en de wacht was net afgelost, toen Gideon en zijn honderd mannen naar de buitenste rand van het Midjanitische kamp slopen. Plotseling bliezen zij op hun horens en braken de kruiken stuk, zodat hun fakkels hoog opvlamden in de nacht. 20 De andere tweehonderd mannen deden hetzelfde, bliezen op de horens in hun rechterhand en hielden de brandende fakkels in hun linkerhand. ‘Voor de Here en voor Gideon!’ schreeuwden ze allemaal. 21 Ze bleven gewoon rond het kamp op hun plaats staan en zagen hoe het reusachtige vijandelijke leger in paniek raakte. Iedereen rende door elkaar en luid schreeuwend sloegen zij op de vlucht. 22 Hoewel de driehonderd mannen niets anders deden dan op de horens blazen, liet de Here in de verwarring de mannen in het kamp elkaar met het zwaard te lijf gaan, ze vluchtten de nacht in, zelfs tot aan Bet-Sitta in de richting van Zerera tot aan de rand van Abel-Mehola tegenover Tabbat.

23 Toen liet Gideon troepen uit Naftali, Aser en Manasse komen en beval hen het vluchtende leger van de Midjanieten te achtervolgen. 24 Hij stuurde ook gezanten door het hele bergland van Efraïm om troepen te verzamelen die de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan bij Bet-Bara moesten bezetten om de Midjanieten de overtocht te beletten. 25 Oreb en Zeëb, twee Midjanitische koningen, werden gevangengenomen. Oreb werd gedood bij een rots die nu zijn naam draagt en Zeëb bij ‘Zeëbs Wijnpers,’ zoals die plaats nu wordt genoemd. Na de achtervolging brachten de Israëlieten de hoofden van Oreb en Zeëb naar Gideon aan de overkant van de Jordaan.