Matayo 14 – LCB & HTB

Luganda Contemporary Bible

Matayo 14:1-36

Yokaana Atemwako Omutwe

114:1 a Mak 8:15; Luk 3:1, 19; 13:31; 23:7, 8; Bik 4:27; 12:1 b Luk 9:7-9Mu kiseera ekyo Kabaka Kerode bwe yawulira ettutumu lya Yesu 214:2 Mat 3:1n’agamba abaweereza be nti, “Oyo ye Yokaana Omubatiza azuukidde mu bafu, era y’akola eby’amagero.”

314:3 a Mat 4:12; 11:2 b Luk 3:19, 20Kuba Kerode yali amaze okukwata Yokaana n’amussa mu kkomera, kubanga Yokaana yamunenya olwa Kerodiya muka Firipo muganda we, 414:4 Lv 18:16; 20:21kubanga Yokaana yagamba Kerode nti, “Si kituufu okusigula muka muganda wo n’omufuula owuwo.” 514:5 Mat 11:9Kerode yali ayagala kumutta naye n’atya abantu kubanga baalowooza Yokaana okuba nnabbi.

6Olunaku lw’amazaalibwa ga Kerode bwe lwatuuka muwala wa Kerodiya n’azina nnyo ku mbaga n’asanyusa nnyo Kerode. 7Awo Kerode n’asuubiza omuwala ng’alayira okumuwa kyonna ky’anaamusaba. 8Naye bwe yaweebwa nnyina amagezi, n’agamba nti, “Mpeera wano omutwe gwa Yokaana Omubatiza ku lusaniya.” 9Ekintu ekyo ne kinakuwaza nnyo kabaka. Naye olwokubanga yali yakisuubiza mu maaso g’abagenyi be, kyeyava alagira bagumuleetere. 1014:10 Mat 17:12Ne bagenda mu kkomera, ne batemako Yokaana omutwe 11ne baguleetera ku lusaniya ne baguwa omuwala, naye n’agutwalira nnyina.

1214:12 Bik 8:2Abayigirizwa ba Yokaana ne banonayo omulambo gwe ne bagutwala ne baguziika, ne balyoka bagenda ne babikira Yesu. 13Yesu bwe yabiwulira ebyo, n’asaabala mu lyato, n’abaako gy’alaga abeere yekka mu kyama. Naye abantu bangi nnyo bwe baakiwulira ne bava mu bibuga bingi, ne beekooloobya, ne bamugoberera nga bayita ku lukalu. 1414:14 a Mat 9:36 b Mat 4:23Yesu bwe yava eyo n’alaba, abantu bangi n’abasaasira n’awonya abalwadde baabwe.

15Obudde bwe bwawungeera abayigirizwa be ne bajja gy’ali ne bamugamba nti, “Laba obudde buzibye ate tuli mu ddungu, ssiibula abantu bagende beegulire emmere mu bibuga.”

16Naye Yesu n’abaddamu nti, “Tekyetaagisa kubasiibula, mmwe mubawe ekyokulya.”

1714:17 Mat 16:9Ne bamuddamu nti, “Ffe tetulina kyakulya kiyinza kubamala, wabula tulinawo emigaati etaano gyokka n’ebyennyanja bibiri.”

18N’abagamba nti, “Kale mubindetere wano.” 1914:19 1Sa 9:13; Mat 26:26; Mak 8:6; Luk 24:30; Bik 2:42; 27:35; 1Ti 4:4N’alagira ekibiina kituule wansi ku muddo, n’addira emigaati etaano n’ebyennyanja ebibiri, n’atunula waggulu ne yeebaza, emigaati n’agimenyaamenyamu n’agiwa abayigirizwa ne batandika okugabula ekibiina. 20Bonna ne balya ne bakkuta; obutundutundu obwafikkawo ne babukuŋŋaanya wamu ne bujjuza ebisero kkumi na bibiri! 21Abantu bonna abaalya baali ng’enkumi ttaano nga totaddeeko bakazi na baana.

Yesu Atambulira ku Mazzi

22Amangwago Yesu n’alagira abayigirizwa be basaabale eryato bagende emitala w’ennyanja, ye asigale ng’akyasiibula abantu. 2314:23 Luk 3:21Bwe yamala okusiibula ekibiina n’ayambuka ku lusozi yekka okusaba. Obudde ne buziba ng’ali eyo yekka. 24Eryato abayigirizwa mwe baali bwe lyatuuka ebuziba, omuyaga mungi ne gubafuluma mu maaso eryato ne lyesunda.

25Awo ku ssaawa nga mwenda ez’ekiro, Yesu n’ajja gye bali ng’atambula ku nnyanja. 2614:26 Luk 24:37Naye abayigirizwa bwe baamulaba ng’atambulira ku nnyanja ne batya, nga balowooza nti muzimu.

2714:27 a Mat 9:2; Bik 23:11 b Dan 10:12; Mat 17:7; 28:10; Luk 1:13, 30; 2:10; Bik 18:9; 23:11; Kub 1:17Awo amangwago Yesu n’abagamba nti, “Mugume, Nze nzuuno temutya.”

28Peetero n’amugamba nti, “Obanga ye ggwe ddala Mukama waffe, ndagira nange nzije gy’oli nga ntambulira ku mazzi.”

29Yesu n’amuddamu nti, “Kale jjangu.” Peetero n’ava mu lyato n’atambulira ku mazzi okugenda eri Yesu.

30Naye Peetero bwe yalaba omuyaga ogw’amaanyi, n’atya n’atandika okusaanawo, n’akoowoola Yesu nti, “Mukama wange, ndokola!”

3114:31 Mat 6:30Amangwago Yesu n’agolola omukono gwe n’amukwata, n’amugamba nti, “Ggwe alina okukkiriza okutono, lwaki obuusizzabuusizza?”

32Bwe baalinnya mu lyato omuyaga gwonna ne guggwaawo. 3314:33 Zab 2:7; Mat 4:3N’abo abaali mu lyato ne bamusinza nga bagamba nti, “Ddala ddala oli Mwana wa Katonda!”

34Bwe baasomoka ne bagukkira ku lukalu e Genesaleeti. 35Abantu b’omu kitundu ekyo bwe baamutegeera ne batumya abalwadde bonna ne babamuleetera. 3614:36 Mat 9:20Ne bamwegayirira waakiri bakomeko bukomi ku lukugiro lw’ekyambalo kye, era buli eyakomako n’awonyezebwa.

Het Boek

Mattheüs 14:1-36

Johannes de Doper onthoofd

1Toen Herodes, de gouverneur van Galilea, over Jezus hoorde, 2zei hij tegen zijn dienaars: ‘Dat moet Johannes de Doper zijn, die weer levend is geworden. Daarom kan Hij al die wonderen doen.’ 3Herodes had Johannes namelijk gearresteerd en op aandringen van Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, gevangen gezet. 4Want Johannes had tegen hem gezegd dat hij niet met haar mocht samenleven. 5Daarom had hij Johannes willen doden. Maar hij durfde het niet uit angst voor een opstand. Het volk geloofde dat Johannes een profeet was. 6Op de verjaardag van Herodes kwam de dochter van Herodias de feestzaal binnen en danste voor de gasten. 7Herodes vond het zo mooi, dat hij beloofde haar te zullen geven wat zij verlangde. ‘Ik zweer het je,’ zei hij. 8Op aanraden van haar moeder vroeg zij om het hoofd van Johannes de Doper, op een schaal. 9Herodes vond dit heel erg, maar kon er niet onderuit. Al zijn gasten hadden gehoord welke eed hij had gezworen. 10Daarom gaf hij bevel het hoofd van Johannes te halen. Johannes werd in de gevangenis onthoofd. 11Zijn hoofd werd op een schaal binnengebracht en aan het meisje gegeven. En het meisje gaf het aan haar moeder. 12Later kwamen Johannesʼ leerlingen het lichaam halen en begroeven het. Zij gingen ook naar Jezus toe om Hem te vertellen wat er gebeurd was.

Vijf broden en twee vissen

13Bij het horen van dit nieuws stapte Jezus in een boot en ging naar een afgelegen plaats om alleen te zijn. Maar de mensen zagen waar Hij naar toe ging en vanuit de steden liepen zij Hem achterna. 14Toen Jezus terugkwam, stonden al die mensen Hem op te wachten. Hij kreeg medelijden met hen en genas allen die ziek waren. 15Tegen de avond kwamen zijn leerlingen bij Hem en zeiden: ‘Het is al lang tijd om te eten en hier is niets te krijgen. Er woont hier niemand. U moet de mensen maar wegsturen. Dan kunnen zij naar de dorpen gaan en daar eten kopen.’ 16Jezus antwoordde: ‘Dat hoeft niet. Geven júllie hun maar te eten.’ 17‘Hoe dan?’ vroegen zij. ‘Het enige wat wij hebben, zijn vijf broden en twee vissen.’ 18‘Breng die maar hier,’ zei Hij. 19Hij zei tegen de mensen dat zij in het gras moesten gaan zitten. Daarna nam Hij de vijf broden en de twee vissen, keek naar de hemel en dankte God. Hij brak de broden in stukken en gaf deze aan zijn leerlingen. En zij gaven ze weer aan de mensen. 20Iedereen kon zoveel eten als hij wilde. Er bleef zelfs nog over: twaalf manden vol. 21En er waren maar liefst vijfduizend mannen, dus vrouwen en kinderen niet meegerekend.

Jezus loopt over het water

22Hierna zei Hij tegen zijn leerlingen dat zij met de boot moesten overvaren naar de andere kant van het meer. Hij zou komen wanneer Hij de mensen zou hebben weggestuurd. 23Toen iedereen weg was, ging Hij alleen de berg op om te bidden. 24Het werd donker en de leerlingen waren al ver op het meer. Zij kwamen niet erg vooruit door de harde tegenwind en de hoge golven. 25Tegen het eind van de nacht liep Jezus over het water naar hen toe. 26Zij schreeuwden van angst en dachten dat het een spook was. 27Hij stelde hen gerust. ‘Wees maar niet bang, Ik ben het.’ 28Petrus riep: ‘Here, als U het werkelijk bent, zeg dan dat ik over het water naar U toe moet komen!’ 29‘Kom maar!’ riep Jezus. 30Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. Maar hij besefte ineens dat er een heel harde wind stond. De schrik sloeg hem om het hart en hij begon te zinken. ‘Here, help mij!’ schreeuwde hij. 31Jezus stak hem zijn hand toe en trok hem uit het water. ‘Och, twijfelaar,’ zei Hij, ‘waarom heb je zo weinig vertrouwen in Mij?’ 32Zodra zij in de boot stapten, ging de wind liggen. 33De anderen bogen zich vol ontzag voor Jezus neer. ‘U bent werkelijk de Zoon van God!’ zeiden zij.

34Zij legden aan in Gennésareth. 35Het nieuws dat Jezus er was, ging als een lopend vuurtje door het hele gebied, want Hij was herkend door enkele mensen die op de oever stonden. Van alle kanten werden er zieken bij Hem gebracht. 36Zij smeekten of ze Hem mochten aanraken, al was het maar de zoom van zijn mantel. Allen die dat deden werden helemaal gezond.