King James Version

Psalm 60

1O God, thou hast cast us off, thou hast scattered us, thou hast been displeased; O turn thyself to us again.

Thou hast made the earth to tremble; thou hast broken it: heal the breaches thereof; for it shaketh.

Thou hast shewed thy people hard things: thou hast made us to drink the wine of astonishment.

Thou hast given a banner to them that fear thee, that it may be displayed because of the truth. Selah.

That thy beloved may be delivered; save with thy right hand, and hear me.

God hath spoken in his holiness; I will rejoice, I will divide Shechem, and mete out the valley of Succoth.

Gilead is mine, and Manasseh is mine; Ephraim also is the strength of mine head; Judah is my lawgiver;

Moab is my washpot; over Edom will I cast out my shoe: Philistia, triumph thou because of me.

Who will bring me into the strong city? who will lead me into Edom?

10 Wilt not thou, O God, which hadst cast us off? and thou, O God, which didst not go out with our armies?

11 Give us help from trouble: for vain is the help of man.

12 Through God we shall do valiantly: for he it is that shall tread down our enemies.

Het Boek

Psalmen 60

11,2 Een waardevol lied van David voor de koordirigent. Te zingen op de wijs van: ‘De lelie van het getuigenis.’ David schreef dit leerzame gedicht nadat hij had gestreden tegen de Arameeërs van Mesopotamië en Zoba, en nadat Joab op de terugweg daarvan twaalfduizend Edomieten in het Zoutdal had verslagen.

O God, U hebt ons verstoten, uiteengescheurd,
uw toorn over ons uitgestort:
keer U weer naar ons toe!
U hebt het land laten trillen en scheuren.
Het staat te wankelen.
Ons volk heeft door U zwaar geleden,
U hebt ons bedwelmde wijn laten drinken.
Aan hen die ontzag voor U hebben,
hebt U een eigen vaandel gegeven
zodat zij zich kunnen verzamelen
om te strijden tegen de boogschutters.
Zo zijn uw volgelingen gereed voor de strijd.
Laat ons overwinnen,
want dat hangt alleen van U af.
Geef ons toch antwoord!
God heeft vanuit zijn heilige plaats
tot ons gesproken.
Ik juich van vreugde
en zal Sichem verdelen.
Ik ga het dal van Sukkot opmeten.
Gilead en Manasse zijn van mij
en Efraïm is mijn helm.
Juda is de staf waarmee ik regeer.
10 Moab is mijn wasbak,
Edom vertrap ik met mijn sandalen
en over Filistea triomfeer ik.
11 Wie brengt mij naar de versterkte vesting?
Wie begeleidt mij naar Edom?
12 U bent het, o God,
U die ons eerst had verstoten.
Wilt U, o God, optrekken met onze legers?
13 Help ons tegen de vijand,
want hulp van mensen stelt niets voor.
14 Met de hulp van God kunnen wij dapper strijden,
Hij zal onze vijanden verslaan.