Het Boek

Psalmen 66

1Een psalm, een lied voor de koordirigent.

Laat de hele aarde God lof toezingen.
Zing psalmen over de grote heerlijkheid van zijn naam.
Breng Hem de eer en de lof toe.
Zeg maar tegen God: alles wat U doet,
is beroemd door uw macht en grootheid.
Daarom doen zelfs uw vijanden of zij U eren.
Laat de hele aarde U aanbidden.
Laat zij psalmen zingen
ter ere van U en uw heilige naam.
Kom maar en kijk naar wat God allemaal doet,
groot is zijn reputatie om wat Hij voor de mensen doet.
Hij maakte land droog door de zee te laten opdrogen,
het volk ging te voet dwars door de rivier.
Daar aanbaden wij Hem
die in eeuwigheid regeert door zijn grote kracht.
Laat niemand tegen Hem in opstand komen.
Volken, prijs onze God,
zing luid uw lofliederen tot zijn eer.
Hij gaf ons het leven weer
en verhinderde dat wij vielen.
10 U hebt ons beproefd, o God,
ons gezuiverd zoals men zilver zuivert.
11 U hebt ons in een net laten vangen
en ons een zware last te dragen gegeven.
12 Er reden mensen over onze hoofden
en wij gingen door water en vuur,
maar U hebt ons naar een land met overvloed gebracht.
13 Ik zal mijn brandoffers in de tempel brengen,
ik kom mijn geloften na
14 die ik U gedaan heb.
Ik deed U die geloften
toen ik in grote moeilijkheden verkeerde.
15 Ik breng U brandoffers van jonge, vetgemeste kalveren,
de geur van rammen stijgt naar U omhoog.
Ik offer U runderen en geiten tegelijk.
16 Kom en luister!
Ik wil ieder die ontzag voor God heeft,
vertellen wat Hij allemaal voor mij heeft gedaan.
17 Nog maar net had ik Hem aangeroepen,
of Hij gaf mij al een loflied in de mond.
18 Als mijn motieven onzuiver waren geweest,
zou de Here echt niet hebben geluisterd.
19 Maar God heeft wel degelijk geluisterd:
Hij heeft mijn luide smeekbeden verhoord.
20 Ik prijs God omdat Hij mijn gebed aannam.
Hij wees mij niet af
en heeft mij ook zijn liefdevolle goedheid niet onthouden.

The Message

Psalm 66

11-4 All together now—applause for God!
    Sing songs to the tune of his glory,
    set glory to the rhythms of his praise.
Say of God, “We’ve never seen anything like him!”
    When your enemies see you in action,
    they slink off like scolded dogs.
The whole earth falls to its knees—
    it worships you, sings to you,
    can’t stop enjoying your name and fame.

5-6 Take a good look at God’s wonders—
    they’ll take your breath away.
He converted sea to dry land;
    travelers crossed the river on foot.
    Now isn’t that cause for a song?

Ever sovereign in his high tower, he keeps
    his eye on the godless nations.
Rebels don’t dare
    raise a finger against him.

8-12 Bless our God, O peoples!
    Give him a thunderous welcome!
Didn’t he set us on the road to life?
    Didn’t he keep us out of the ditch?
He trained us first,
    passed us like silver through refining fires,
Brought us into hardscrabble country,
    pushed us to our very limit,
Road-tested us inside and out,
    took us to hell and back;
Finally he brought us
    to this well-watered place.

13-15 I’m bringing my prizes and presents to your house.
    I’m doing what I said I’d do,
What I solemnly swore I’d do
    that day when I was in so much trouble:
The choicest cuts of meat
    for the sacrificial meal;
Even the fragrance
    of roasted lamb is like a meal!
Or make it an ox
    garnished with goat meat!

16-20 All believers, come here and listen,
    let me tell you what God did for me.
I called out to him with my mouth,
    my tongue shaped the sounds of music.
If I had been cozy with evil,
    the Lord would never have listened.
But he most surely did listen,
    he came on the double when he heard my prayer.
Blessed be God: he didn’t turn a deaf ear,
    he stayed with me, loyal in his love.