Het Boek

Psalmen 52:1-11

1-2Een leerzaam gedicht van David voor de koordirigent. Hij maakte dit nadat de Edomiet Doëg hem aan Saul had verraden met de woorden: ‘David is in het huis van Achimelech.’

3Och geweldenaar, waarom denkt u

dat het kwade u wel zal helpen?

De liefde en goedheid van God houden nooit op

en gelden dag en nacht.

4U bedenkt allerlei kwaad,

uw tong is zo scherp als een scheermes.

U bent een bedrieger!

5U geeft de voorkeur aan het kwaad

boven het goede.

U liegt liever

dan dat u de waarheid spreekt.

6U hoort het liefst slechte taal

en een mond die bedriegt.

7God zal u echter voor eeuwig verderven.

Hij zal u uit uw huis wegslepen

en een einde aan uw leven maken.

8De oprechte mensen die het zien,

zullen ontzag voor God hebben en zeggen:

9‘Kijk, zo vergaat het degene

die niet op God vertrouwt,

maar denkt dat zijn rijkdom hem wel zal redden.

Die rijkdom waardoor hij zich sterk waande,

werd zijn ondergang.’

10Ik groei echter op

als een altijd groene olijfboom in Gods huis.

Onophoudelijk vertrouw ik

op Gods goedheid en liefdevolle zorg.

11Ik zal U altijd loven en prijzen,

omdat U mij steeds weer redt.

Ik verwacht het alleen van U,

samen met al uw volgelingen,

want uw naam is groot en goed.

Nova Versão Internacional

Salmos 52:1-9

Salmo 52

Para o mestre de música. Poema de Davi, quando o edomita Doegue foi a Saul e lhe contou: “Davi foi à casa de Aimeleque”.

1Por que você se vangloria do mal

e de ultrajar a Deus continuamente?52.1 Ou se a fidelidade de Deus dura para sempre?, ó homem poderoso!

2Sua língua trama destruição;

é como navalha afiada, cheia de engano.

3Você prefere o mal ao bem;

a falsidade, à verdade. Pausa

4Você ama toda palavra maldosa,

ó língua mentirosa!

5Saiba que Deus o arruinará para sempre:

ele o agarrará e o arrancará da sua tenda;

ele o desarraigará da terra dos vivos. Pausa

6Os justos verão isso e temerão;

rirão dele, dizendo:

7“Veja só o homem que rejeitou a Deus como refúgio;

confiou em sua grande riqueza

e buscou refúgio em sua maldade!”

8Mas eu sou como uma oliveira

que floresce na casa de Deus;

confio no amor de Deus

para todo o sempre.

9Para sempre te louvarei pelo que fizeste;

na presença dos teus fiéis proclamarei o teu nome,

porque tu és bom.