Het Boek

Psalmen 37

1Een lied van David.

Erger u niet aan zondaars,
aan mensen die slechte dingen doen.
Zij verdwijnen net zo snel als het gras
en verwelken als eendagsbloemen.
Stel heel uw vertrouwen op de Here
en doe wat Hij goed vindt.
Woon rustig in uw woonplaats
en zorg dat u in alles trouw bent.
Verheug u in de Here,
dan zal Hij u geven wat u nodig hebt
en waar u naar verlangt.
Vertel alles wat u bezighoudt aan de Here
en vertrouw Hem.
Hij zal in alles voor u zorgen.
Hij zal u openlijk recht verschaffen
en uw oprechtheid aan het licht brengen.
Word stil voor de Here
en verwacht alles van Hem.
Wees niet jaloers op wie slechte plannen beraamt
en wie het ogenschijnlijk goed gaat.
Word niet boos
en laat elke vorm van kwaadheid schieten,
wees ook nooit jaloers,
want dat brengt u van kwaad tot erger.
Eenmaal worden alle zondaars vernietigd,
maar wie uitzien naar de Here,
zullen alles ontvangen wat zij nodig hebben.
10 Nog een klein poosje
en dan zal de zondaar zijn verdwenen,
dan zoekt u hem
en ziet u hem niet meer.
11 Maar wie nederig van hart is,
zal in het land mogen wonen
en genieten van een overvloedige vrede.
12 De goddeloze beraamt
slechte plannen tegen de gelovige,
hij kan hem niet verdragen.
13 Maar de Here lacht erom,
Hij weet dat zijn tijd is gekomen.
14 De zondaars grijpen naar de wapens
om arme mensen te doden
en de gelovigen te vernietigen.
15 Zij zullen echter door hun eigen geweld worden vernietigd
en hun wapens zullen kapot op de grond liggen.
16 Het is beter met een eerlijk hart
weinig te bezitten
dan veel rijkdom te hebben
en God niet te kennen.
17 Want de Here zal
de goddelozen machteloos maken
en oprechte mensen ondersteunen.
18 De Here zorgt voor zijn volgelingen
en er wacht hun een geweldige toekomst.
19 In moeilijke momenten
zal Hij hen niet in de steek laten.
Wanneer er hongersnood is,
zal Hij voor voedsel zorgen.
20 De goddeloze zal te gronde gaan.
De tegenstanders van de Here
zullen verdwijnen als bloemen op het veld,
in rook opgaan.
21 De goddeloze leent wel,
maar geeft nooit terug.
Maar de oprechte mens
bekommert zich om een ander
en geeft wat nodig is.
22 Het is werkelijk waar:
zij die door God gezegend zijn,
mogen in het land wonen en het bezitten.
Maar wie Hij vervloekt,
wordt vernietigd.
23 Als de Here instemt met iemands wijze van leven,
zal Hij hem bevestigen in alles wat hij doet.
24 Als zo iemand valt,
stort hij niet naar beneden,
omdat de Here zijn hand vasthoudt.
25 Gedurende mijn hele, lange leven
heb ik nog nooit een oprecht iemand gezien
die door de Here werd verlaten.
En ook diens kinderen ontbrak het aan niets.
26 Zo iemand bekommert zich om anderen
en geeft wat nodig is,
ook zijn kinderen helpen waar dat nodig is.
27 Houd u ver van het kwaad en doe wat goed is,
want dan zult u altijd in dit land kunnen wonen.
28 De Here heeft oprechtheid lief
en Hij zal zijn volgelingen nooit in de steek laten.
Hij zal hen altijd bewaren en beschermen.
Maar de goddelozen vernietigt Hij.
29 De oprechte mensen mogen het land in bezit nemen
en er altijd blijven wonen.
30 De oprechte mens spreekt wijze woorden
en alles wat hij zegt, is eerlijk.
31 In alles geldt voor hem de wet van God.
Hij raakt nooit uit zijn evenwicht.
32 De goddeloze zoekt naar een gelegenheid
om de oprechte mens te vermoorden.
33 De Here laat dat niet toe.
De Here zorgt ervoor dat hij,
als hij voor de rechter moet verschijnen,
niet wordt veroordeeld.
34 Zie onder alles uit naar de Here
en blijf op zijn weg.
Dan zal Hij u uitkiezen om het land in bezit te nemen
en er altijd te wonen,
en u zult de vernietiging van de goddelozen meemaken.
35 Ik zag eens een goddeloos mens.
Het leek heel wat
en hij breidde zich uit als een grote woekerplant,
36 maar opeens was hij weg.
Ik zocht nog naar hem,
maar kon hem niet vinden.
37 Kijk maar eens naar de gelovige
en let op de oprechte mens:
vredelievende mensen hebben de toekomst.
38 De zondaars worden echter allemaal vernietigd,
ook hun kinderen hebben geen toekomst.
39 Maar de redding van de oprechten komt van de Here,
Hij beschermt hen in moeilijke tijden.
40 De Here helpt hen ontkomen aan de goddelozen
en bevrijdt hen.
Dat komt doordat zij bij Hem schuilen.

Endagaano Enkadde nʼEndagaano Empya

Zabbuli 37

Zabbuli ya Dawudi.

1Teweeraliikiriranga olw’abantu ababi,
    so tokwatirwanga buggya abo abakola ebitasaana.
Kubanga bagenda kuwotoka ng’omuddo,
    bafiire ddala ng’essubi ekkalu.

Weesigenga Mukama okolenga bulungi,
    onoobeeranga n’emirembe mu nsi n’ofuna ebirungi.
Sanyukiranga mu Mukama,
    anaakuwanga omutima gwo bye gwetaaga.

By’okola byonna byesigamyenga ku Mukama;
    mwesigenga, anaakukoleranga ky’oyagala.
Anaayolekanga obutuukirivu bwo ng’omusana,
    n’obwenkanya bw’ebikolwa byo ne bwakaayakana ng’enjuba ey’omu ttuntu.

Siriikirira awali Mukama,
    ogumiikirize ng’olindirira ky’anaakola.
    Tofangayo ng’abalala bafunye ebirungi nga bayita mu kutetenkanya kwabwe okubi.

Tonyiiganga era weewale ekiruyi;
    teweeraliikiriranga kubanga bivaamu bibi byereere.
Kubanga ababi balisalibwako,
    naye abeesiga Mukama baligabana ensi.

10 Wanaayitawo akabanga katono ababi baggweerewo ddala;
    wadde mulibanoonya temulibalabako.
11 Naye abateefu baligabana ensi
    ne beeyagalira mu ddembe eritatendeka.

12 Ababi basalira abatuukirivu enkwe,
    ne babalumira obujiji.
13 Naye Mukama asekerera ababi,
    kubanga amanyi ng’entuuko zaabwe ziri kumpi.

14 Ababi basowoddeyo ebitala byabwe
    ne baleega emitego gy’obusaale,
batte abaavu n’abali mu kwetaaga
    era basaanyeewo abo abatambulira mu kkubo eggolokofu.
15 Naye ebitala byabwe birifumita mitima gyabwe gyennyini,
    n’emitego gyabwe egy’obusaale girimenyebwa.

16 Ebitono omutuukirivu by’alina
    bisinga obugagga bw’ababi abangi;
17 kubanga amaanyi g’abakola ebibi galikoma,
    naye Mukama anaawaniriranga abatuukirivu.

18 Ennaku z’abataliiko kya kunenyezebwa, zimanyibwa Mukama,
    era omugabo gwabwe gunaabanga gwa lubeerera.
19 Mu biseera eby’akabi ebyakatyabaga tebaayongoberenga,
    ne mu biro eby’enjala banakkusibwanga.

20 Naye ababi balizikirira;
    abalabe ba Mukama balifaanana ng’obulungi bwe ttale,
    era baliggwaawo, baliggwaawo ng’omukka.

21 Ababi beewola, ne batasasula;
    naye abatuukirivu basaasira era bagaba bingi.
22 Abo Mukama b’awa omukisa baligabana ensi,
    naye abo b’akolimira balizikirizibwa.

23 Mukama bw’asanyukira ekkubo ly’omuntu,
    aluŋŋamya entambula ye.
24 Ne bw’aneesittalanga, taagwenga wansi,
    kubanga omukono gwa Mukama gumuwanirira.

25 Nnali muto kati nkaddiye,
    naye sirabanga batuukirivu nga balekeddwa ttayo,
    wadde abaana baabwe nga basabiriza ekyokulya.
26 Bagaba bingi bulijjo, era baazika ku byabwe n’essanyu.
    Abaana baabwe banaaweebwanga omukisa.

27 Muve mu bibi, mukolenga ebirungi,
    munaabanga balamu emirembe gyonna.
28 Kubanga Mukama ayagala ab’amazima,
    n’abeesigwa be taabaabulirenga.
Banaalabirirwanga emirembe gyonna;
    naye ezzadde ly’ababi lirizikirizibwa.
29 Abatuukirivu baligabana ensi
    ne babeeranga omwo emirembe gyonna.

30 Akamwa k’omutuukirivu koogera bya magezi,
    n’olulimi lwe lwogera bya mazima.
31 Amateeka ga Katonda we gali mu mutima gwe,
    era ebigere bye tebiseerera.

32 Omubi ateega omutuukirivu
    ng’anoonya okumutta,
33 naye Mukama taliganya babi kuwangula,
    wadde okukkiriza abatuukirivu okusingibwa omusango.

34 Lindirira Mukama n’okugumiikiriza,
    otambulirenga mu makubo ge;
naye alikugulumiza n’akuwa ensi;
    ababi bwe balisalirwako olikitegeera.

35 Nalaba omuntu omubi era omukambwe ennyo, naye nga buli ky’akola kimugendera bulungi,
    ng’agimuse ng’omuti ogukulidde mu ttaka eggimu,
36 naye teyalwawo n’abula,
    ne mmumagamaga buli wantu, nga talabikako.

37 Tunuulira omuntu ataliiko kya kunenyezebwa, wekkaanye oyo omulongoofu;
    obulamu bwe bunajjulanga emirembe.
38 Naye aboonoonyi bonna balizikirizibwa;
    ezzadde ly’ababi lirisaanyizibwawo.

39 Obulokozi bw’abatuukirivu buva eri Mukama;
    ye ky’ekigo kyabwe ekinywevu gye baddukira mu kiseera eky’emitawaana.
40 Mukama abayamba n’abalokola;
    abaggya mu mikono gy’ababi n’abalokola,
    kubanga gy’ali gye baddukira.