Het Boek

Psalmen 3:1-9

1Een psalm van David toen hij op de vlucht was voor zijn zoon Absalom.

2Here, iedereen is tegen mij,

velen willen mij kwaad doen.

Ik heb zoveel vijanden.

3Velen zeggen

dat God mij toch niet zal helpen.

4Maar Here,

U bent mijn beschermende schild

en U houdt mijn eer hoog.

U bent mijn enige hoop!

Alleen uw kracht houdt mij overeind.

5Ik schreeuwde het uit van ellende naar de Here

en Hij hoorde mij in zijn heiligdom.

6Toen pas durfde ik rustig te gaan liggen

en vredig te gaan slapen.

Ik werd ook weer veilig wakker,

want de Here hield de wacht over mij.

7En al staan nu aan weerszijden van mij tienduizenden vijanden,

ik ben er niet meer bang voor.

8Ik roep dan: ‘Sta op, Here! Mijn God, red mij!’

En Hij zal hen dan in het gezicht slaan.

Hij slaat hun de tanden uit de mond.

9Want de ware redding komt alleen van de Here.

Hij zegent zijn volgelingen en geeft hun vrede.

Nueva Versión Internacional (Castilian)

Salmo 3:1-8

Salmo 3

Salmo de David, cuando huía de su hijo Absalón.

1Muchos son, Señor, mis enemigos;

muchos son los que se oponen a mí,

2y muchos los que de mí aseguran:

«Dios no lo salvará». Selah

3Pero tú, Señor, me rodeas cual escudo;

tú eres mi gloria;

¡tú mantienes en alto mi cabeza!

4Clamo al Señor a gritos,

y desde su monte santo él me responde. Selah

5Yo me acuesto, me duermo y vuelvo a despertar,

porque el Señor me sostiene.

6No me asustan los numerosos pueblos

que me acosan por doquier.

7¡Levántate, Señor!

¡Ponme a salvo, Dios mío!

¡Rómpeles la quijada a mis enemigos!

¡Rómpeles los dientes a los malvados!

8Tuya es, Señor, la salvación;

¡envía tu bendición sobre tu pueblo! Selah