Het Boek

Psalmen 142:1-8

1Een leerzaam gedicht van David. Hij schreef dit gebed toen hij zich in de grot verborg.

2Hardop roep ik naar de Here

en ik smeek Hem naar mij te luisteren.

3Ik stort mijn hele hart voor Hem uit,

al mijn ellende vertel ik Hem.

4Als alles mij te veel wordt,

weet U hoe ik verder moet.

Men zet vallen voor mij op het pad dat ik moet gaan.

5Ik kijk naar rechts en zie uit naar hulp,

maar geen mens kijkt naar mij om.

Ik heb geen plek om te schuilen

en niemand vraagt hoe het met mij gaat.

6Here, ik roep naar U:

‘U bent de beste plaats om te schuilen.

U houdt mij in leven.

7Luister naar mijn smeekgebed,

ik ben zo verzwakt.

Bevrijd mij van de vijanden

die mij achtervolgen,

zij zijn veel sterker dan ik.

8Leid mij uit deze diepe ellende,

dan zal ik uw naam prijzen.

Als U mij redt,

zullen oprechte mensen om mij heen komen staan.’

New International Reader's Version

Psalm 142:1-7

Psalm 142

A prayer of David when he was in the cave. A maskil.

1I call out to the Lord.

I pray to him for mercy.

2I pour out my problem to him.

I tell him about my trouble.

3When I grow weak,

you are watching over my life.

In the path where I walk,

people have hidden a trap to catch me.

4Look and see that no one is on my right side to help me.

No one is concerned about me.

I have no place of safety.

No one cares whether I live or die.

5Lord, I cry out to you.

I say, “You are my place of safety.

You are everything I need in this life.”

6Listen to my cry.

I am in great need.

Save me from those who are chasing me.

They are too strong for me.

7My troubles are like a prison.

Set me free so I can praise your name.

Then those who do what is right will gather around me

because you have been good to me.