Het Boek

Psalmen 129:1-8

1Een bedevaartslied.

Laat Israël het volgende zeggen:

sinds de tijd dat ons volk ontstond,

zijn wij onderdrukt.

2Van het begin af aan

hebben zij ons in moeilijkheden gebracht,

maar zij hebben ons niet overwonnen.

3Zij hebben ons onderdrukt

en zelfs gemarteld.

4Maar de Here, die rechtvaardig oordeelt,

heeft de touwen waarmee de ongelovigen

ons hadden vastgebonden, doorgesneden.

5Alle volken die Jeruzalem haten,

zullen te kijk worden gezet en wegvluchten.

6Zij lijken op gras dat op de daken groeit

en al is verdord voor het wordt uitgetrokken.

7Het kan zelfs niet meer als hooi dienen.

8Voor zulke mensen geldt niet de zegenwens:

‘Ik bid dat de Here u zegent.’

Ook niet:

‘Wij zegenen u in de naam van de Here.’

King James Version

Psalms 129:1-8

A Song of degrees.

1Many a time have they afflicted me from my youth, may Israel now say:129.1 Many…: or, Much

2Many a time have they afflicted me from my youth: yet they have not prevailed against me.129.2 Many…: or, Much

3The plowers plowed upon my back: they made long their furrows.

4The LORD is righteous: he hath cut asunder the cords of the wicked.

5Let them all be confounded and turned back that hate Zion.

6Let them be as the grass upon the housetops, which withereth afore it groweth up:

7Wherewith the mower filleth not his hand; nor he that bindeth sheaves his bosom.

8Neither do they which go by say, The blessing of the LORD be upon you: we bless you in the name of the LORD.