Het Boek

Obadja

De toekomst van het land Edom

De Oppermachtige Here liet Obadja in een visioen de toekomst van het land Edom zien. ‘De Here heeft ons laten weten,’ zei hij, ‘dat Hij een bode naar de volken heeft gestuurd met het bevel: Kom, laten we ten strijde trekken tegen Edom! Ik zal u klein maken onder de volken en u zult diep worden veracht. U bent trots, omdat u in die hoge, ontoegankelijke rotskloven woont. U bluft: “Wie zou ons hier ooit kunnen bereiken?” Bedrieg uzelf niet! Al vloog u zo hoog als een arend en bouwde u een nest tussen de sterren, Ik zou u daarvandaan naar beneden laten tuimelen,’ zegt de Here. ‘Het zou voor u veel beter zijn geweest als er ʼs nachts dieven waren gekomen om u te beroven. Want die zouden niet alles hebben meegenomen. Als er druivenplukkers kwamen, zouden die dan niets overlaten? Alle verborgen schatten van Esauʼs nakomelingen zullen worden opgespoord en meegenomen.

Al uw bondgenoten zullen zich tegen u keren en u uit uw land zetten. Zij zullen vrede beloven, maar zijn in werkelijkheid op uw ondergang uit. Uw beste vrienden zullen valstrikken voor u spannen en uw tegenmaatregelen zullen niets uithalen. Op die dag,’ zegt de Here, ‘zal in Edom geen enkele wijze man meer worden gevonden. Want Ik zal de wijze mannen van Edom vullen met onverstand. Ook de dappere soldaten uit Teman zullen verbijsterd zijn en niets kunnen doen om de slachtpartij op de bergen van Edom te voorkomen. 10 U hebt uw broeder Israël vreselijke dingen aangedaan. Beschaamd en weerloos zult u daarom voorgoed worden uitgeroeid. 11 Want in tijden van nood liet u Israël in de steek. U ging aan de kant staan en stak geen hand uit om te helpen toen binnenvallende troepen haar soldaten als krijgsgevangenen meenamen en Jeruzalem door loting onder elkaar verdeelden. U was geen haar beter dan al die vijanden. 12 Dat had u niet moeten doen. U had geen leedvermaak mogen hebben, toen zij uw broeder naar vreemde landen wegvoerden. U had zich niet mogen verheugen over zijn ongeluksdag. U had niet de spot met hem mogen drijven toen hij in nood verkeerde. 13 Kom niet naar Israël op die rampzalige dag. Maak u niet meester van de buit en heb geen leedvermaak over haar ondergang. 14 Ga niet op de kruispunten staan om degenen die proberen te vluchten, te vermoorden. Neem de overlevenden niet gevangen om hen uit te leveren aan hun vijanden in die tijd van barre ellende. 15 Binnenkort zal de Here een oordeel vellen over alle heidense volken. Wat u Israël hebt aangedaan, zal u nu zelf overkomen. U krijgt uw verdiende loon.

16 Zoals u op mijn heilige berg hebt gedronken, zo zullen alle omringende volken onophoudelijk drinken uit de beker met mijn straf en worden alsof ze nooit hadden bestaan. 17 Maar de berg Sion zal een toevluchtsoord zijn, een afgezonderde, heilige plaats. Het volk Israël zal het land weer in bezit nemen. 18 Israël zal zijn als een vuur dat de stoppelvelden van Edom in brand steekt. Er zullen geen overlevenden in Edom zijn, omdat de Here het zo heeft bevolen. 19 Dan zal mijn volk dat in de Negev woont, het berggebied van Edom in bezit nemen. Die in het laagland wonen, zullen het land van de Filistijnen innemen en weer beslag leggen op de velden van Efraïm en Samaria. En het volk van Benjamin zal Gilead weer in bezit nemen. 20 De Israëlitische ballingen zullen terugkeren en het land van de Kanaänieten tot Zarfath in het noorden bezetten. En de mensen uit Jeruzalem die in ballingschap waren in Sefarad in Klein-Azië, zullen terugkeren naar hun vaderland en de steden aan de rand van de Negev veroveren. 21 Want verlossers zullen naar de berg Sion komen en heersen over heel Edom. En de Here zal koning zijn!’

Nova Versão Internacional

Obadias

O Julgamento de Edom

Visão de Obadias. Assim diz o Soberano,

o Senhor, a respeito de Edom:

Nós ouvimos uma mensagem do Senhor.
Um mensageiro foi enviado às nações para
    dizer:
“Levantem-se! Vamos atacar Edom!”

“Veja! Eu tornarei você pequeno entre as
    nações.
Será completamente desprezado!
A arrogância do seu coração o tem
    enganado,
você que vive nas cavidades das rochas[a]
    e constrói sua morada no alto dos montes;
você que diz a si mesmo: ‘Quem pode me
    derrubar?’
Ainda que você suba tão alto como a águia
    e faça o seu ninho entre as estrelas,
dali eu o derrubarei”, declara o Senhor.
“Se ladrões o atacassem,
    saqueadores no meio da noite
— como você está destruído! —
    não roubariam apenas quanto achassem
    suficiente?
Se os que colhem uvas chegassem a você,
    não deixariam para trás pelo menos
    alguns cachos?
Entretanto, como Esaú foi saqueado!
Como foram pilhados
    os seus tesouros ocultos!
Empurram você para as fronteiras
    todos os seus aliados;
enganam você e o sobrepujarão
    os seus melhores amigos;
aqueles que comem com você
    lhe armam ciladas”.
E Esaú não percebe nada!

“Naquele dia”, declara o Senhor,
    “destruirei os sábios de Edom,
e os mestres dos montes de Esaú.
Então os seus guerreiros, ó Temã,
    ficarão apavorados,
e serão eliminados todos os homens
    dos montes de Esaú.
10 Por causa da violenta matança
    que você fez contra o seu irmão
    Jacó,
você será coberto de vergonha
    e eliminado para sempre.
11 No dia em que você ficou por perto,
    quando estrangeiros roubaram
    os bens dele,
e estranhos entraram por suas portas
    e lançaram sortes sobre Jerusalém,
você fez exatamente como eles.
12 Você não devia ter olhado
    com satisfação
    o dia da desgraça de seu irmão;
nem ter se alegrado
    com a destruição do povo de
    Judá;
não devia ter falado com arrogância
    no dia da sua aflição.
13 Não devia ter entrado pelas portas
    do meu povo
    no dia da sua calamidade;
nem devia ter ficado alegre
    com o sofrimento dele
    no dia da sua ruína;
nem ter roubado a riqueza dele
    no dia da sua desgraça.
14 Não devia ter esperado
    nas encruzilhadas,
para matar os que conseguiram escapar;
nem ter entregado os sobreviventes
    no dia da sua aflição.

15 “Pois o dia do Senhor está próximo
    para todas as nações.
Como você fez, assim lhe será feito.
A maldade que você praticou
    recairá sobre você.
16 Assim como vocês beberam
    do meu castigo
    no meu santo monte,
também todas as nações[b]
    beberão sem parar.
Beberão até o fim,
    e serão como se nunca tivessem
    existido.
17 Mas no monte Sião estarão os que
    escaparam;
ele será santo
e a descendência de Jacó
    possuirá a sua herança.
18 A descendência de Jacó será um fogo,
    e a de José uma chama;
a descendência de Esaú será a palha.
    Eles a incendiarão e a consumirão.
Não haverá sobreviventes
    da descendência de Esaú”,
declara o Senhor.

19 Os do Neguebe se apossarão
    dos montes de Esaú,
e os da Sefelá[c] ocuparão
    a terra dos filisteus.
Eles tomarão posse dos campos
    de Efraim e de Samaria,
e Benjamim se apossará de Gileade.
20 Os israelitas exilados se apossarão
    do território dos cananeus
    até Sarepta;
os exilados de Jerusalém
    que estão em Sefarade
ocuparão as cidades do Neguebe.
21 Os vencedores subirão ao[d] monte Sião
    para governar a montanha de Esaú.
E o reino será do Senhor.

Notas al pie

  1. 3 Ou de Selá
  2. 16 Muitos manuscritos do Texto Massorético dizem todas as nações ao redor.
  3. 19 Pequena faixa de terra de relevo variável entre a planície costeira e as montanhas.
  4. 21 Ou do