Knijga O Kristu

Matej 23:1-39

Isus opominje vjerske poglavare

(Mk 12:38-39; Lk 11:39-52; 20:45-46)

1Tada Isus reče mnoštvu i svojim učenicima: 2“Pismoznanci i farizeji službeni su tumači Svetoga pisma.23:2 U grčkome: su zasjeli na Mojsijevu stolicu. 3Zato činite i slušajte sve što vam kažu, ali nemojte slijediti njihov primjer jer oni sami ne čine ono što druge poučavaju. 4Tlače vas teškim teretom vjerskih zahtjeva, a ni prstom ne žele maknuti da vam taj teret pomognu nositi.

5Sve što čine, čine zato da ih ljudi vide. Trude se da ono što na sebi nose u znak pobožnosti—kutijice sa stihovima iz Svetoga pisma na čelu ili oko ruke te rese na odjeći—bude što veće i što duže. 6Na gozbama vole sjediti na pročelju stola, a u sinagogama na počasnome mjestu. 7Godi im kad ih ljudi pozdravljaju na javnim mjestima i kad ih zovu ‘Učitelju’.23:7 U grčkome: Rabbi.

8Vi nikome nemojte dopustiti da vas zove učiteljem jer imate samo jednoga učitelja, a svi ste vi ravnopravna braća i sestre.23:8 U grčkome: svi ste vi braća. 9I ne zovite nikoga ovdje na zemlji Ocem jer imate samo jednoga Oca—onoga na nebesima. 10I ne dajte da vas tko naziva vođom jer imate samo jednoga vođu: Krista. 11Tko je najveći među vama, neka vam bude sluga! 12Tko sebe uzvisuje, bit će ponižen, a ponizni će biti uzvišeni.

13Teško vama, pismoznanci i farizeji! Licemjeri! Zatvarate pred ljudima vrata u nebesko kraljevstvo. Sami ne ulazite u njega, a ne dopuštate da uđu ni oni koji bi htjeli.23:13 U nekim je rukopisima dodan i 14. stih: Teško vama, pismoznanci i farizeji! Bestidno lišavate udovice njihovih dobara, a prikrivate se dugim molitvama u javnosti. Zato ćete vam kazna biti veća.

15Teško vama, pismoznanci i farizeji! Licemjeri! Obilazite morem i kopnom da biste pridobili jednog sljedbenika, a kad vam postane sljedbenikom, učinite od njega sina paklenoga dvostruko gorega nego što ste i sami!

16Teško vama! Slijepi vođe! Tvrdite: ‘Zakune li se tko Hramom, to ne vrijedi. Ali zakune li se hramskim zlatom, onda ga zakletva obvezuje.’ 17Slijepe budale! Pa što je veće—zlato ili Hram koji posvećuje zlato? 18I još kažete: ‘Zakune li se tko žrtvenikom, to ne vrijedi. Ali zakune li se darom koji je na njemu, zakletva ga obvezuje.’ 19Slijepci! Što je veće? Žrtveni dar ili žrtvenik koji ga posvećuje? 20Tko se zakune žrtvenikom, kune se njime i svime što je na njemu. 21A tko se zakune Hramom, kune se njime i Onime koji u njemu prebiva. 22Tko se zakune nebom, kune se Božjim prijestoljem i Bogom koji na njemu sjedi.

23Teško vama, pismoznanci i farizeji! Licemjeri! Jer revno namirujete čak i desetinu metvice, i kopra, i kima, a zanemarujete ono najvažnije u Zakonu: pravednost, milosrđe i vjernost. Treba davati desetinu, ali ne smijete zanemarivati važnije stvari.23:23 U grčkome: Ovo je trebalo činiti, a ono ne propuštati. 24Slijepi vođe! Procjeđujete vodu da ne biste s njom popili i komarca, a kadri ste, ne opazivši, progutati i cijelu devu!

25Teško vama, pismoznanci i farizeji! Licemjeri! Toliko se trudite očistiti svoju čašu i zdjelu izvana, a napunili ste ih svojim grabežom i pohlepom. 26Slijepi farizeju! Očisti najprije ono što je u čaši, pa će i izvana biti čista.

27Teško vama, pismoznanci i farizeji! Vi ste poput obijeljenih grobova. Izvana izgledaju lijepo, a iznutra su prepuni mrtvačkih kostiju i svakojake prljavštine! 28Tako i vi ljudima izvana izgledate pravednima, a iznutra ste prepuni licemjerja i bezakonja.

29Teško vama, pismoznanci i farizeji! Licemjeri! Vi prorocima gradite grobnice i pravednicima kitite spomenike 30pa kažete: ‘Da smo živjeli u doba svojih otaca, ne bismo sudjelovali u prolijevanju proročke krvi.’ 31Tako sami protiv sebe svjedočite da ste sinovi onih koji su ubijali proroke. 32Dovršite, dakle, to što su oni započeli!23:32 U grčkome: Dopunite mjeru svojih otaca!

33Zmije! Leglo zmijsko! Kako ćete izbjeći osudi pakla? 34Šaljem vam, evo, proroke, mudrace i pismoznance. Neke ćete od njih ubiti i raspeti, druge bičevati po sinagogama i progoniti od grada do grada 35tako da na vas padne sva pravedna krv prolivena na zemlji, od krvi pravednog Abela pa do krvi Zaharije, sina Barahijina, kojega ste ubili između Hrama i žrtvenika. 36Zaista vam kažem, sva će ta krv pasti na ovaj naraštaj!”

Isus tuži nad Jeruzalemom

(Lk 13:34-35)

37“Jeruzaleme, Jeruzaleme, koji ubijaš proroke i kamenuješ Božje poslanike! Koliko sam puta htio okupiti tvoju djecu kao što kvočka skuplja piliće pod krila, ali niste htjeli! 38A sada će ti, eto, kuća biti napuštena. 39I kažem vam, nećete me više vidjeti sve dok ne uzviknete: ‘Blagoslovljen koji dolazi u ime Gospodnje!’”23:39 Vidjetii Psalam 118:26.

Het Boek

Mattheüs 23:1-39

Jezus over de bijbelgeleerden en de Farizeeën

1Jezus zei tegen de mensen en zijn leerlingen: 2‘De bijbelgeleerden en de Farizeeën moeten de wet van Mozes handhaven. 3U moet precies doen wat zij zeggen. Maar hun voorbeeld mag u beslist niet volgen. Ze doen zelf niet wat zij zeggen. 4Ze leggen de mensen enorme lasten op, maar steken zelf geen vinger uit om die te verlichten. 5Alles wat zij doen, is om op te vallen. Ze binden hun gebedsriemen, met wetteksten erin, op hun linkerarm en hun voorhoofd. Om heilig te lijken, maken ze die extra breed. En de kwasten aan hun kleren, die aan Gods geboden herinneren, maken ze extra lang. 6Zij vinden het heerlijk om bij de maaltijden aan het hoofd van de tafel te zitten. Zij genieten ervan als zij in de synagoge de voornaamste plaatsen krijgen 7en voelen zich gevleid als ze op straat eerbiedig worden gegroet, als men hen met rabbi of meester aanspreekt. 8Maar Ik waarschuw u: laat u nooit zo noemen. Want u hebt maar één Meester en u bent allemaal broers en zusters van elkaar. 9Noem nooit een mens vader. Want u hebt maar één Vader, God in de hemel. 10Laat u ook nooit leraar noemen, want u hebt maar één Leraar en dat ben Ik, de Christus. 11De belangrijkste onder u moet de anderen dienen. 12Wie zichzelf verheft, zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert, zal verheven worden.

13Maar pas op, bijbelgeleerden en Farizeeën! Huichelaars! Want u belet mensen het Koninkrijk van de hemelen in te gaan. En zelf gaat u er ook niet in! De mensen die er in willen gaan, worden door u tegengehouden. 14U maakt de weduwen zelfs hun huis afhandig. En voor de vrome schijn zegt u lange gebeden op. De straf die u krijgt, zal daarom zwaarder zijn. 15U bent stuk voor stuk huichelaars! Want u trekt stad en land door om één mens tot uw geloof te bekeren en dan wordt die wel twee keer zo slecht als u bent: klaar voor de hel! 16Jullie zijn blinde leiders! U zegt dat het niets betekent als iemand bij de tempel zweert. Dan mag hij zijn eed breken. Maar zweert hij bij het goud van de tempel, dan moet hij zijn eed houden. 17Wat een domme redenering! U bent stekeblind. Wat is belangrijker? Het goud of de tempel waardoor het goud heilig wordt? 18Nog zoiets: u zegt dat het niets betekent als iemand bij het altaar zweert. Maar zweert iemand bij het offer op het altaar, dan mag hij zijn eed niet breken. 19Jullie zijn werkelijk stekeblind! Wat is belangrijker? Het offer of het altaar dat het offer heilig maakt? 20Wie zweert bij het altaar, zweert niet alleen bij het altaar, maar ook bij alles wat erop ligt. 21En wie zweert bij de tempel, zweert niet alleen bij de tempel, maar ook bij Hem die erin woont. 22En wie zweert bij de hemel, zweert bij de troon van God en bij God Zelf die op de troon zit.

23Bijbelgeleerden en Farizeeën! Het ziet er voor u slecht uit! Huichelaars, u geeft tien procent van wat u heeft aan munt en andere kruiden aan de tempel, maar waar het op aankomt, goedheid, medelijden en trouw, daar houdt u zich niet mee bezig. U moet het ene doen en het andere niet nalaten. 24Jullie zijn blinde leiders en zeven de wijn om er een mug uit te halen. Maar een kameel slikt u door.

25Bijbelgeleerden en Farizeeën! Het ziet er voor u slecht uit! Huichelaars, u maakt de bekers en schotels vanbuiten schoon, maar ziet niet dat ze vanbinnen vol roof en hebzucht zitten.

26Blinde Farizeeën! Maak eerst de binnenkant van de beker schoon. Dan zal ook de buitenkant schoon worden.

27Bijbelgeleerden en Farizeeën! Het ziet er voor u slecht uit! Huichelaars, jullie lijken op witgekalkte graven, die er vanbuiten mooi uitzien, maar vanbinnen vol doodsbeenderen en bederf zitten. 28U doet u heel vroom en oprecht voor, maar in uw hart bent u huichelachtig en slecht.

29Bijbelgeleerden en Farizeeën, het ziet er voor u slecht uit! Huichelaars! U bouwt monumenten voor de profeten die door uw voorouders om het leven zijn gebracht. U legt bloemen op de graven van goede, onschuldige mensen en zegt: 30“Als wij toen hadden geleefd, zouden wij de profeten nooit hebben vermoord.” 31U erkent dus dat u zonen bent van hen die de profeten hebben vermoord. 32Maak de maat maar vol. 33Stelletje sluwe slangen! Hoe zult u aan het vreselijke oordeel van de hel ontkomen? 34Ik zal profeten, wijze mannen en bijbel-geleerden naar u toesturen. U zult sommigen van hen vermoorden door hen aan een kruis te spijkeren. Anderen zult u in de synagogen afranselen en van stad tot stad vervolgen. 35Daardoor maakt u zich schuldig aan de dood van al de onschuldige en gelovige mensen die werden vermoord, van de onschuldige Abel tot Zacharia, de zoon van Berechja, die werd vermoord tussen het tempelhuis en het altaar. 36Ja, Ik verzeker u: het oordeel over al het kwaad van vroeger zal op het hoofd van deze generatie neerkomen.

37Jeruzalem, Jeruzalem! Stad die de profeten vermoordt en de mannen die naar haar zijn toegestuurd, doodgooit met stenen! Hoe vaak heb Ik uw kinderen bij elkaar willen brengen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels bijeenbrengt. Maar u hebt het niet gewild! 38Let op: uw huis wordt aan zijn lot overgelaten. 39Want u zult Mij van nu af aan niet meer zien, tot de dag dat u zult zeggen: “Gelukkig is Hij die namens de Here komt.” ’