La Bible du Semeur

Psaumes 50

Dieu va juger son peuple

1Psaume d’Asaph[a].

Le Dieu suprême, l’Eternel a parlé et il a convoqué la terre
du levant du soleil à son couchant.
De Sion, parfaite en beauté,
Dieu resplendit.
Qu’il vienne notre Dieu! Qu’il ne garde pas le silence!
Devant lui, un feu dévorant,
autour de lui, c’est l’ouragan.
Le ciel en haut, il le convoque,
et il convoque aussi la terre: il vient pour gouverner son peuple.
«Rassemblez ceux qui me sont attachés,
ceux qui ont conclu avec moi l’alliance par le sacrifice.»
Le ciel publiera sa justice,
c’est Dieu qui gouverne le monde.
            Pause
Mon peuple, écoute, je te parle,
Israël, je témoigne contre toi,
moi qui suis Dieu, ton Dieu.
Ce n’est pas pour tes sacrifices que je t’adresse des reproches:
j’ai constamment tes holocaustes sous les yeux.
Je ne prendrai ni des taureaux dans ton étable,
ni des boucs dans tes fermes,
10 car tous les animaux des forêts sont à moi,
à moi, les bêtes par milliers dans les montagnes!
11 Je connais tous les oiseaux des montagnes
et tous les animaux des champs me sont à portée de la main.
12 Si j’avais faim, te le dirais-je?
L’univers est à moi et tout ce qu’il renferme.
13 Vais-je manger la viande des taureaux,
ou m’abreuver du sang des boucs?
14 En sacrifice à Dieu offre donc ta reconnaissance!
Accomplis envers le Très-Haut les vœux que tu as faits.
15 Alors tu pourras m’appeler au jour de la détresse:
je te délivrerai, et tu me rendras gloire.

16 Au méchant aussi, Dieu s’adresse:
«Pourquoi rabâches-tu mes lois?
Tu as mon alliance à la bouche,
17 mais tu détestes l’instruction
et tu rejettes mes paroles au loin, derrière toi.
18 A peine as-tu vu un voleur, tu deviens son complice,
et puis, tu fais cause commune avec les adultères.
19 Ta bouche forge la malice.
Ta langue tisse le mensonge.
20 Lorsque tu t’assieds avec d’autres, tu calomnies ton frère,
et tu jettes le déshonneur sur le fils de ta mère.
21 Lorsque tu agissais ainsi et que je n’ai rien dit,
as-tu vraiment imaginé que je te ressemblais?
Aussi je vais te corriger, tout mettre sous tes yeux.

22 Comprenez donc cela, vous qui ignorez Dieu,
sinon je vous déchirerai et nul ne vous délivrera.
23 Qui, en guise de sacrifice, m’offre de la reconnaissance, celui-là me rend gloire,
et à celui qui règle son chemin,
je ferai voir le salut que Dieu donne.»

Notas al pie

  1. 50.1 Sur Asaph, voir 1 Ch 6.16-17, 24; 25.1; 2 Ch 35.15. Asaph était l’un des trois chefs de chœur de David; il nous a laissé douze psaumes.

Het Boek

Psalmen 50

1Een psalm van Asaf.

De Here, de enig ware God, neemt het woord
en roept naar de hele aarde, van oost tot west.
God komt
met een ongelooflijke, prachtige glans
vanuit Jeruzalem naar ons toe.
God is in aantocht en zal niet zwijgen,
omdat Hij móet spreken.
Een laaiend vuur gaat voor hem uit
en om Hem heen davert een storm.
God roept tot in de hemelen
en naar de aarde
om zijn volk te onderwijzen.
Laten mijn volgelingen bijeenkomen,
zij die mijn verbond erkennen
en Mij hun offers brengen.
De hemel zelf laat horen
wat recht en gerechtigheid is,
want God is de enige rechter.
‘Luister, mijn volk!
Israël, Ik zal nu spreken
en tegen u getuigen.
Ik ben God, uw God.
Ik wijs u niet terecht
omdat u verzuimd zou hebben
Mij offers te brengen.
Want Ik heb al uw brandoffers gezien.
Uit uw stallen neem ik geen stieren aan
en ook geen bokken.
10 Alle dieren in het bos zijn al van Mij,
het vee dat op de berghellingen graast
en al de rijkdom aan rundvee.
11 Alle vogels die op de bergen nestelen,
ken Ik
en wat door het veld loopt,
is al van Mij.
12 Wanneer Ik honger heb,
zal Ik u niet te hulp roepen,
want alles op de hele wereld
is van Mij.
13 Eet Ik soms het vlees van geofferde stieren?
Drink ik soms bloed van geofferde bokken?
14 Breng lof en eer aan God:
dat is pas een echt offer!
Kom uw beloften na
die u aan de Allerhoogste hebt gedaan.
15 Roep Mij te hulp in moeilijke tijden,
dan zal Ik u redden
en u zult Mij loven en prijzen.’
16 Maar tegen de ongelovige zegt God:
‘Waarom bemoeit u zich met mijn wetten?
Waarom spreekt u over mijn verbond?
17 U bent immers alleen maar ongehoorzaam
en laat mijn woord links liggen.
18 U speelt onder één hoedje met de dieven,
overspel is u niet vreemd.
19 In uw drift slaat u de vreselijkste taal uit
en met uw mond bedriegt u.
20 U keert zich zelfs tegen uw eigen broer,
u roddelt over uw moeders andere zoon.
21 Terwijl u dit deed,
zweeg Ik in alle talen.
Nu verbeeldt u zich dat Ik met u ben
en net zo denk als u.
22 Ongelovige, die God vergeet,
laat dit alles goed tot u doordringen,
want anders zal Ik u vernietigen
en kan niemand u meer redden.
23 Wie Mij eert,
brengt het ware offer.
Aan wie die weg gaat
zal Ik laten zien wat mijn heil inhoudt.’