La Bible du Semeur

Psaumes 50:1-23

Dieu va juger son peuple

1Psaume d’Asaph50.1 Sur Asaph, voir 1 Ch 6.16-17, 24 ; 25.1 ; 2 Ch 35.15. Asaph était l’un des trois chefs de chœur de David ; il nous a laissé douze psaumes..

Le Dieu suprême, |l’Eternel a parlé |et il a convoqué la terre

du levant du soleil |à son couchant.

2De Sion, parfaite en beauté,

Dieu resplendit.

3Qu’il vienne notre Dieu ! |Qu’il ne garde pas le silence !

Devant lui, un feu dévorant,

autour de lui, c’est l’ouragan.

4Le ciel en haut, il le convoque,

et il convoque aussi la terre : |il vient pour gouverner son peuple.

5« Rassemblez ceux qui me sont attachés,

ceux qui ont conclu avec moi |l’alliance par le sacrifice. »

6Le ciel publiera sa justice,

c’est Dieu qui gouverne le monde.

Pause

7Mon peuple, écoute, je te parle,

Israël, je témoigne contre toi,

moi qui suis Dieu, ton Dieu.

8Ce n’est pas pour tes sacrifices |que je t’adresse des reproches :

j’ai constamment |tes holocaustes sous les yeux.

9Je ne prendrai |ni des taureaux dans ton étable,

ni des boucs dans tes fermes,

10car tous les animaux |des forêts sont à moi,

à moi, les bêtes par milliers |dans les montagnes !

11Je connais tous les oiseaux des montagnes

et tous les animaux des champs |me sont à portée de la main.

12Si j’avais faim, te le dirais-je ?

L’univers est à moi |et tout ce qu’il renferme.

13Vais-je manger |la viande des taureaux,

ou m’abreuver |du sang des boucs ?

14En sacrifice à Dieu |offre donc ta reconnaissance !

Accomplis envers le Très-Haut |les vœux que tu as faits.

15Alors tu pourras m’appeler |au jour de la détresse :

je te délivrerai, |et tu me rendras gloire.

16Au méchant aussi, Dieu s’adresse :

« Pourquoi rabâches-tu mes lois ?

Tu as mon alliance à la bouche,

17mais tu détestes l’instruction

et tu rejettes mes paroles |au loin, derrière toi.

18A peine as-tu vu un voleur, |tu deviens son complice,

et puis, tu fais cause commune |avec les adultères.

19Ta bouche forge la malice.

Ta langue tisse le mensonge.

20Lorsque tu t’assieds avec d’autres, |tu calomnies ton frère,

et tu jettes le déshonneur |sur le fils de ta mère.

21Lorsque tu agissais ainsi |et que je n’ai rien dit,

as-tu vraiment imaginé |que je te ressemblais ?

Aussi je vais te corriger, |tout mettre sous tes yeux.

22Comprenez donc cela, |vous qui ignorez Dieu,

sinon je vous déchirerai |et nul ne vous délivrera.

23Qui, en guise de sacrifice, |m’offre de la reconnaissance, |celui-là me rend gloire,

et à celui qui règle son chemin,

je ferai voir |le salut que Dieu donne. »

Het Boek

Psalmen 50:1-23

1Een psalm van Asaf.

De Here, de enig ware God, neemt het woord

en roept naar de hele aarde, van oost tot west.

2God komt

met een ongelooflijke, prachtige glans

vanuit Jeruzalem naar ons toe.

3God is in aantocht en zal niet zwijgen,

omdat Hij móet spreken.

Een laaiend vuur gaat voor Hem uit

en om Hem heen davert een storm.

4God roept tot in de hemelen

en naar de aarde

om zijn volk te onderwijzen.

5Laten mijn volgelingen bijeenkomen,

zij die mijn verbond erkennen

en Mij hun offers brengen.

6De hemel zelf laat horen

wat recht en gerechtigheid is,

want God is de enige rechter.

7‘Luister, mijn volk!

Israël, Ik zal nu spreken

en tegen u getuigen.

Ik ben God, uw God.

8Ik wijs u niet terecht

omdat u verzuimd zou hebben

Mij offers te brengen.

Want Ik heb al uw brandoffers gezien.

9Uit uw stallen neem ik geen stieren aan

en ook geen bokken.

10Alle dieren in het bos zijn al van Mij,

het vee dat op de berghellingen graast

en al de rijkdom aan rundvee.

11Alle vogels die op de bergen nestelen,

ken Ik

en wat door het veld loopt,

is al van Mij.

12Wanneer Ik honger heb,

zal Ik u niet te hulp roepen,

want alles op de hele wereld

is van Mij.

13Eet Ik soms het vlees van geofferde stieren?

Drink Ik soms bloed van geofferde bokken?

14Breng lof en eer aan God:

dat is pas een echt offer!

Kom uw beloften na

die u aan de Allerhoogste hebt gedaan.

15Roep Mij te hulp in moeilijke tijden,

dan zal Ik u redden

en u zult Mij loven en prijzen.’

16Maar tegen de ongelovige zegt God:

‘Waarom bemoeit u zich met mijn wetten?

Waarom spreekt u over mijn verbond?

17U bent immers alleen maar ongehoorzaam

en laat mijn woord links liggen.

18U speelt onder één hoedje met de dieven,

overspel is u niet vreemd.

19In uw drift slaat u de vreselijkste taal uit

en met uw mond bedriegt u.

20U keert zich zelfs tegen uw eigen broer,

u roddelt over uw moeders andere zoon.

21Terwijl u dit deed,

zweeg Ik in alle talen.

Nu verbeeldt u zich dat Ik met u ben

en net zo denk als u.

22Ongelovige, die God vergeet,

laat dit alles goed tot u doordringen,

want anders zal Ik u vernietigen

en kan niemand u meer redden.

23Wie Mij eert,

brengt het ware offer.

Aan wie die weg gaat

zal Ik laten zien wat mijn heil inhoudt.’