Slovo na cestu

Galatským 3

Zákon a víra

1Kam jste dali rozum, Galaťané! Kým jste se to dali napálit? Vy, kteří jste měli ukřižovaného Krista takřka přímo před očima! Jen mi řekněte: Dostali jste snad Božího Ducha odměnou za dodržování židovských zákonů, nebo jste ho obdrželi proto, že jste uvěřili v Ježíše Krista? Tak vidíte! Copak jste ztratili najednou soudnost? Začali jste v síle Božího Ducha, a teď chcete ve vlastní síle pokračovat? Bylo snad všechno, co jste prožili, k ničemu? Ne, tomu nevěřím! Znova se vás ptám: Boží Duch a všechny jeho zázraky mezi vámi – lze to vše přičítat vašemu přesnému plnění zákona? Rozhodně ne! Bůh mezi vámi prokázal svou moc a dává vám svého Ducha. Je to snad odměna za vaše skutky, nebo důsledek vaší víry v Krista?

Lidské zásluhy neotevřou nebeskou bránu

Jak to bylo s Abrahamem? Uvěřil Božímu slibu a Bůh ho zahrnul svou přízní. 7-9 K Abrahamovi se tedy může rovnat jen ten, kdo je ochoten věřit Bohu stejně, jako uvěřil on. A Bůh už tehdy vlastně Abrahamovi oznámil, co vy dnes prožíváte: že zachrání i jiné národy, jestliže mu uvěří tak, jako uvěřil on, Abraham.

10 Na druhé straně tvrdost zákona dopadá na ty, kdo spoléhají na své záslužné činy. Vždyť zákon říká jasně: „Odsouzen je každý, kdo se proviní i jen proti jedinému z přikázání zapsaných v knize zákona.“ 11 Je tedy jasné, že žádné naše zásluhy nám nebeskou bránu neotevřou; ta se otvírá jiným klíčem – vírou. Mluví o tom i prorok Abakuk, když říká: „Jen ten, kdo Bohu důvěřuje, obstojí před ním a bude žít.“ 12 Zákon se o víru nestará; tam stojí: „Žít bude ten, kdo bude činit to a to.“ Bez výjimky.

13 Z této kletby námi nesplněného zákona jsme však vysvobozeni Kristem. On vzal naše přestupky i jejich následky na sebe. Naše prokletí nechal dopadnout na svou hlavu, když umíral na kříži, neboť je napsáno, že „proklet je každý, kdo visí na dřevě“. 14 A díky jemu mohou všichni lidé bez rozdílu dostat stejné požehnání jako Abraham a všichni mohou natáhnout ruku víry po slíbeném Božím Duchu.

Zákon a Boží slib

15 Bratři, vždyť sami víte, že když někdo pořídí závěť a náležitě ji potvrdí, nemůže na tom později již nikdo nic změnit. 16 Bůh se zavázal slibem Abrahamovi a jeho potomku. Není zde užito množného čísla, a proto nejde o všechny Abrahamovy potomky – celý židovský národ. Řeč je o potomku, a tím je míněn Kristus. 17 Chci tím říci toto: Bůh dal Abrahamovi závazný slib. Ten nemohl být zrušen zákonem, který přišel o čtyři sta třicet let později. 18 Kdyby nás totiž mohlo od věčné smrti zachránit přesné dodržování zákona, nemusel Bůh Abrahamovi nic slibovat. On to však udělal.

19 K čemu bylo tedy zapotřebí ještě zákonů? Jen k tomu, aby nám Bůh ukázal, jak jsme od něj vzdáleni. A jen do té doby, než přijde ten ohlášený potomek, Kristus, jehož se týkal onen Boží závazek. 20 (Ještě jeden rozdíl: Zákon vydal Bůh lidem Mojžíšovým prostřednictvím a tomu je poslal po andělovi; smlouvu s Abrahamem však uzavřel osobně, bez prostředníků.)

21-23 Znamená to snad, že Boží sliby a Boží zákony jsou navzájem v rozporu? Ovšem že nikoliv! Kdyby byl zákon stačil zachránit člověka z moci zla (a podle Písma jsme všichni v jeho područí), nenabízel by Bůh jiné východisko – víru v Ježíše Krista. 24 Zákon byl naším vychovatelem. Vzdělával nás a vedl ke Kristu, abychom v něj uvěřili, přijali ho za svého Spasitele a tak byli před Bohem ospravedlněni.

Vírou se stáváme Božími dětmi

25-26 Ale nyní, po příchodu Kristově, již nejsme svěřeni tomuto vychovateli, protože jsme se stali Božími dětmi. 27 Všichni, kteří křtem vyznali svou víru v Krista, jsou s ním úzce spojeni. 28 Není už rozdílu mezi židem a pohanským Řekem, otrokem a pánem, mužem a ženou; všichni jsme si v Kristu rovni. 29 Jsme s ním zajedno. V tomto smyslu jste tedy i vy potomky Abrahamovými a všechny Boží sliby dané Abrahamovi smíte vztahovat i na sebe.

Het Boek

Galaten 3

De echte kinderen van Abraham

1Domme Galaten, wie heeft u betoverd? Ik heb u toch zoʼn duidelijk beeld gegeven van Jezus Christus, die aan het kruis gestorven is. Zeg eens: heeft God u de Heilige Geest gegeven omdat u de wet hebt gehoorzaamd of omdat u het goede nieuws van Jezus Christus hebt gehoord én geloofd? Bent u nu zo dom? U bent christen geworden door het werk van de Heilige Geest, moet u nu met de wet eindigen? Is alles wat u hebt meegemaakt dan voor niets geweest? Was dat maar zo. Geeft God u zijn Geest en laat Hij wonderen onder u gebeuren omdat u zo goed doet wat de wet zegt? Of omdat u gelooft wat wij u over Jezus Christus hebben verteld?

Kijk naar wat er over Abraham is gezegd: ‘Abraham geloofde God en daarom beschouwde God hem als een rechtvaardig mens.’ De echte kinderen van Abraham zijn dus de mensen die, net als hij, op God vertrouwen. In de Boeken is voorzegd dat het tussen God en niet-Joodse volken in orde zou komen, wanneer zij op Hem zouden vertrouwen. God zei ooit tegen Abraham: ‘U zult voor alle volken een zegen zijn.’ Dat was goed nieuws! Ieder die net als Abraham op God vertrouwt, zal net als hij worden gezegend.

10 Maar ieder die probeert het met God in orde te maken door de wet te houden, valt onder de vloek van God. Want er staat in de Boeken: ‘Vervloekt is hij die deze wetten niet nauwgezet gehoorzaamt.’ 11 Dat niemand het ooit met God in orde kan maken door de wet te houden, is volstrekt duidelijk. In de Boeken staat immers ook: ‘De mensen die rechtvaardig zijn, zullen door hun geloof echt leven.’ 12 Bij het houden van de wet is het geen kwestie van geloven, maar van doen. ‘Wie de wet houdt, zal daardoor leven,’ staat er geschreven. 13 Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek die de wet over ons bracht, door voor ons die vloek op Zich te nemen. Er staat immers: ‘Iemand die aan een paal is opgehangen, is vervloekt.’ 14 Op die manier is door Christus Jezus de zegen van Abraham tot de andere volken gekomen en nu kunnen wij de Heilige Geest ontvangen door in God te geloven.

15 Vrienden, ik neem maar eens een voorbeeld uit het dagelijks leven. Als twee mensen een overeenkomst sluiten en die bekrachtigen, kan niemand daar iets aan veranderen of toevoegen. 16 Wel, God deed Abraham en zijn nakomeling een belofte. Er staat in de Boeken niet dat die belofte aan Abrahams ‘nakomelingen’ werd gedaan, alsof het om velen zou gaan. Maar er staat ‘nakomeling’ en daarmee wordt Christus bedoeld. 17 Ik bedoel dit: als God met Abraham een onverbrekelijke overeenkomst heeft gesloten, kan een wet die er pas vierhonderddertig jaar later bijkwam, die overeenkomst niet ongedaan maken. De belofte die God heeft gedaan, blijft gelden. 18 Als wij gered konden worden door een wet te gehoorzamen, is het duidelijk dat dat een andere manier is om met God in het reine te komen dan de manier van Abraham. Want hij was een vriend van God omdat hij eenvoudig geloofde in Gods beloften.

19 Waarvoor dient de wet dan? Die is later ingevoerd om duidelijk te maken dat er zonde is. De wet zou alleen maar gelden zolang de nakomeling er nog niet was die God beloofd had. God heeft de wet door engelen aan Mozes gegeven voor het Joodse volk. 20 Maar toen Hij zijn belofte aan Abraham gaf, deed Hij dat zonder tussenpersoon. 21 Zijn Gods wet en Gods beloften dan met elkaar in tegenspraak? Nee, natuurlijk niet. Als er een wet zou zijn die leven kon geven, dan zouden we ook wel door een wet uit de greep van de zonde kunnen komen. 22 Maar volgens de Boeken is alles in de macht van de zonde, zodat de enige manier om Gods beloofde heil te krijgen het geloof in Jezus Christus is.

23 Tot de komst van Christus werden wij door de wet bewaakt. Wij leefden bij wijze van spreken onder het strenge toezicht van de wet, zolang wij nog niet wisten dat wij op Jezus Christus mochten vertrouwen. 24 Laat ik het anders zeggen: de wet was onze opvoeder, totdat Christus kwam en wij door in Hem te geloven recht voor God konden staan. 25 Maar nu het geloof in Christus er is, heeft die opvoeder niets meer over ons te zeggen. 26 Door het geloof in Christus Jezus bent u allemaal kinderen van God geworden. 27 Door de doop in Christus bent u één met Hem geworden, u bent als het ware omhuld door Hem. 28 Er kan nu geen sprake meer zijn van Jood of niet-Jood, van slaaf of vrij man, van man of vrouw, want in Christus Jezus zijn wij één geworden. 29 Als u een deel van Christus bent, bent u ook kinderen van Abraham en dan is wat God hem beloofde, ook voor u.