Slovo na cestu

Efezským 4:1-32

Kristův dar věřícím: rozličné schopnosti pro budování církve

1-2Prosím vás tedy ze svého vězení: žijte a jednejte způsobem důstojným lidí povolaných k tak slavné budoucnosti. Buďte pokorní a mírní, trpěliví a shovívaví k sobě navzájem. 3Za všech okolností pozorně zkoumejte, co vám napovídá Boží Duch. Tak se vyhnete třenicím. 4Všichni patříme k jednomu tělu a jsme vedeni týmž společným Duchem k jediné slavné budoucnosti. 5Máme jednoho Pána, jednu víru, jeden křest; 6máme jednoho Boha Otce nad sebou a v sobě a vše, co máme a jsme, je od něho.

7Každému z nás dal Kristus ze své bohaté zásoby zvláštních schopností právě tolik, kolik uznal za potřebné.

8Tak promluvil prorocky o Kristu již David: Když se po svém vzkříšení a vítězství nad satanem triumfálně vrátil do nebe, obdaroval lidi skvělými dary. 9Všimněte si, že je tu řeč o návratu. To znamená, že musela předcházet cesta opačným směrem, z nebeských výšin do nejhlubších končin země. 10Ten, kdo sestoupil dolů, je tentýž, kdo vystoupil vzhůru, aby naplnil celý vesmír.

Církev není pouhá organizace, ale živý organismus

11Tak jsme se někteří stali apoštoly, jiní dostali dar výřečnosti; někdo má schopnost úspěšně získávat lidi pro Krista, další umí pečovat o jejich potřeby, tak jako se pastýř stará o své ovce, a jiný zase dovede dobře vyučovat. 12Jejich úkolem je připravovat věřící ke službě, aby církev zdravě prospívala, 13abychom ve své víře a vztahu k Božímu Synu postupně dosáhli stejné úrovně, plné lidské zralosti, dokonalého naplnění Kristem.

14Pak už nebudeme jako malé děti podléhat kdejakému módnímu názoru svého okolí, jeho falši a prohnaným svodům. 15Místo toho se budeme vždy s láskou držet pravdy, opravdově mluvit, jednat a žít a tak budeme stále podobnější Kristu, který je naší hlavou. 16Z něho roste dokonale skloubené tělo a každá jeho část slouží svým způsobem všem ostatním, aby tělo zdravě rostlo a žilo v lásce.

Kristus vede k novému životu

17Rád bych vám proto předložil Kristovým jménem tuto výzvu: nežijte už jako ti, kteří neznají Boží vůli. 18Jejich myšlení je zavádí 19a v jejich srdci je tma, protože o Bohu nechtějí nic vědět. Takoví nepoznali pravý život. Mezi zlým a dobrým nevidí rozdíl a vrhají se do prostopášností. Před ničím se nezastaví, tak je ženou vášně a chamtivost. Ale Kristus nás učí něco docela jiného! 20-21Pokud jste opravdu slyšeli jeho hlas a poznali v něm pravdu, 22je vám jistě jasné, že musíte odhodit svůj dřívější způsob života – honbu za požitkem vlastního zkaženého „já“, na jejímž konci číhá záhuba – 23a stále znovu nechat provětrávat své srdce Božím vanutím. 24Ano, musíte se stávat novými odlišnými osobnostmi, dobrými a svatými, které zrcadlí Boží tvář.

25Nechte tedy lhaní a říkejte si navzájem pravdu, patříte přece všichni k sobě jako údy v jednom těle. 26Někdy je těžké ubránit se hněvu, ale nehřešte tím, že byste ho v sobě rozdmýchávali. Když vás už někdo rozzlobil, nechoďte s tou zlostí spát; 27nezahrávejte si s ďáblem.

28Kdo kradl, ať toho hned nechá a přiloží ruce k pořádné práci, aby měl čím přispět potřebnějším. 29Nevypusťte z úst žádnou jedovatost. Hleďte raději, aby vaše slova byla každému v pravou chvíli pomocí a povzbuzením. 30Nezbavujte se svým jednáním Ducha svatého, kterého vám dal Bůh. Nemáte jinou propustku pro vstup do nebeského domova.

31Pryč s tvrdostí, náladovostí a vznětlivostí. Hádky, urážky a jízlivost ať jsou vám naprosto cizí. 32Buďte k sobě navzájem laskaví a shovívaví a odpouštějte si, jako vám odpustil Bůh kvůli Kristu.

Het Boek

Efeziërs 4:1-32

Eén lichaam, één Geest

1Ik zit gevangen omdat ik de Here dien, en vraag u dringend te leven zoals past bij mensen die door de Here geroepen zijn. 2Wees nederig en vriendelijk, heb geduld met elkaar en verdraag elkaar vol liefde. 3Doe uw uiterste best de eenheid te bewaren die de Heilige Geest onder u tot stand heeft gebracht, door in vrede met elkaar te leven. 4Wij horen immers allemaal bij hetzelfde lichaam, wij hebben dezelfde Geest, wij verwachten dezelfde heerlijke toekomst, omdat God ons heeft geroepen. 5Er is maar één Heer, één geloof en één doop. 6En wij hebben allemaal één en dezelfde God en Vader, die boven ons allen staat, die in ons allen is en door ons allen werkt.

7Maar ieder van ons heeft genade gekregen, naar de mate waarin Christus die gegeven heeft. 8In de Boeken staat immers: ‘Hij is naar de hemel gegaan en heeft gevangenen meegenomen, en hij gaf geschenken aan de mensen.’ 9Er staat ‘naar de hemel gegaan.’ Daaruit blijkt dus dat Hij ook is afgedaald naar de aarde. 10Hij is naar de aarde afgedaald en weer naar de hemel opgestegen, om alles overal, van hoog tot laag, met zijn aanwezigheid te vullen. 11Christus heeft sommigen aan de gemeente gegeven die apostel zijn, anderen die namens Hem spreken; sommigen die het goede nieuws aan ongelovigen vertellen, anderen die de christenen geestelijk verzorgen en weer anderen die onderwijzen. 12Met elkaar moeten zij de christenen klaarmaken om God te dienen, zodat de gemeente, het lichaam van Christus, zal groeien en sterk en volwassen zal worden.

13Het doel daarvan is dat wij ten slotte volledig één zullen zijn, door ons gemeenschappelijk geloof en doordat wij de Zoon van God allemaal even goed kennen. Dan zullen wij volledig mens zijn, volwassen geworden door alles wat Christus in ons heeft gedaan. 14Wij zullen dan niet langer als kinderen zijn, die zomaar van gedachten veranderen. Wij laten ons dan ook niet meer door van alles beïnvloeden. Ook niet door de verkeerde leer van slimme mensen die ons op een dwaalspoor willen brengen. 15Nee, dan zullen wij vol liefde de waarheid volgen en alleen doen wat waar is, en zo steeds meer één worden met Christus, die het hoofd is van het lichaam, de gemeente. 16Door Hem wordt het lichaam prachtig samengevoegd, elk deel helpt de andere delen naar vermogen, zodat het hele lichaam gezond groeit en vol liefde is.

17Ik zeg u dit met nadruk en ik spreek namens de Here: leef niet langer als mensen die Gods wil niet kennen, want die zijn verblind en verward. 18In hun hart is het helemaal donker. Zij staan ver van het leven van God, omdat zij niets van Hem willen weten en Hem niet willen begrijpen. 19Het kan hun niets schelen of iets goed of slecht is. Zij trekken zich nergens iets van aan en worden voortgedreven door hun slechte gedachten en wilde begeerten. 20Maar zo hebt u Christus niet leren kennen! 21Als u werkelijk zijn stem hebt gehoord en Hij u de waarheid over Zichzelf heeft bekendgemaakt, 22moet u uw oude menselijke natuur als oude kleren uittrekken, uw vroegere manier van leven die te gronde gaat aan bedrieglijke begeerten. 23Uw denken moet grondig vernieuwd worden. 24Sterker nog, u moet een heel nieuwe mens worden die alleen voor God leeft, zuiver en goed. Trek een nieuwe natuur aan als een stel nieuwe kleren.

25Houd op met liegen. Vertel elkaar de waarheid, want wij horen bij elkaar en zijn delen van hetzelfde lichaam. 26Als u kwaad bent, laat dan geen wrok in uw hart opkomen, want dan zondigt u. Zorg ervoor dat u uw boosheid voor het einde van de dag weer kwijt bent. 27Geef de duivel geen schijn van kans. 28Wie een dief is, moet ophouden met stelen. Steek liever uw handen uit de mouwen en verdien eerlijk uw eigen brood. Dan kunt u nog eens iemand helpen die gebrek heeft. 29Laat er ook geen vuile taal uit uw mond komen, dat doet alleen maar kwaad. Zeg op het juiste moment het juiste woord, iets dat de mensen helpt en goeddoet, zodat zij genade ontvangen. 30Doe de Heilige Geest geen verdriet, Hij staat immers borg voor u tot de dag van de volle bevrijding komt. 31Doe alle wrok, woede en haat uit uw leven weg. Vloek niet, maak geen ruzie en beledig elkaar niet. Vermijd alles wat slecht is. 32Wees in plaats daarvan vriendelijk en liefdevol voor elkaar. Vergeef elkaar, zoals God uw zonden heeft vergeven om wat Christus voor u deed.