New Amharic Standard Version

ዘሌዋውያን 16:1-34

የስርየት ቀን

16፥2-34 ተጓ ምብ – ዘሌ 23፥26-32፤ ዘኁ 29፥7-11

1በእግዚአብሔር (ያህዌ) ፊት በቀረቡ ጊዜ ከሞቱት፣ ከሁለቱ የአሮን ልጆች ሞት በኋላ እግዚአብሔር (ያህዌ) ሙሴን ተናገረው። 2እግዚአብሔር (ያህዌ) ሙሴን እንዲህ አለው “እኔ በስርየቱ መክደኛ ላይ በደመና ውስጥ እገለጣለሁና፣ ወንድምህ አሮን በመጋረጃው ውስጥ ወዳለው ወደ ቅድስተ ቅዱሳን ማለት በታቦቱ ላይ ወዳለው ወደ ስርየቱ መክደኛ ፊት፣ በፈለገ ጊዜ ሁሉ እንዳይገባና እንዳይሞት ንገረው። 3ወደ ተቀደሰው ስፍራ በሚገባበት ጊዜ፣ አሮን እንዲህ ያድርግ፦ ለኀጢአት መሥዋዕት አንድ ወይፈን፣ ለሚቃጠል መሥዋዕት አንድ አውራ በግ ይዞ ይምጣ፤ 4የተቀደሰውን የበፍታ ቀሚስ ይልበስ፤ በሰውነቱ ላይ የሚያርፈውን ከበፍታ የተሠራውን የውስጥ ሱሪ ያጥልቅ፤ የበፍታውን መታጠቂያ ይታጠቅ፤ የበፍታውን መጠምጠሚያ ይጠምጥም፤ ልብሶቹ የተቀደሱ በመሆናቸው እነዚህን ከመልበሱ በፊት ሰውነቱን በውሃ ይታጠብ። 5ከእስራኤል ማኅበረሰብ ለኀጢአት መሥዋዕት ሁለት ተባዕት ፍየሎች፣ ለሚቃጠል መሥዋዕት አንድ አውራ በግ ይውሰድ።

6“አሮን ለራሱና ለቤተ ሰቡ ማስተሰረያ ይሆን ዘንድ፣ ወይፈኑን የኀጢአት መሥዋዕት አድርጎ ስለ ራሱ ያቅርብ፤ 7ሁለቱንም አውራ ፍየሎች ወስዶ በመገናኛው ድንኳን ደጃፍ በእግዚአብሔር (ያህዌ) ፊት ያቁማቸው። 8አሮንም አንዱን ዕጣ ለእግዚአብሔር (ያህዌ)፣ ሌላውን ለሚለቀቀው ፍየል16፥8 የሚወገደው ፍየል ማለት ነው፤ ዕብራይሰጡ ዐዛዜል ይላል፤ እንዲሁም ቍ 10፡26 ይመ ለማድረግ በሁለቱ ፍየሎች ላይ ዕጣ ይጣል። 9በዕጣ ለእግዚአብሔር (ያህዌ) የደረሰውንም ፍየል አምጥቶ ለኀጢአት መሥዋዕት በማድረግ ይሠዋ። 10ወደ ምድረ በዳ ተለቅቆ ማስተሰረያ ይሆን ዘንድ፣ እንዲለቀቅ ዕጣ የወጣበትን ፍየል ከነሕይወቱ በእግዚአብሔር (ያህዌ) ፊት ያቅርብ።

11“አሮን ለራሱና ለቤተ ሰቡ ማስተሰረያ ይሆን ዘንድ ወይፈኑን የኀጢአት መሥዋዕት አድርጎ ስለ ራሱ ያቅርብ፤ ወይፈኑንም ስለ ራሱ የኀጢአት መሥዋዕት አድርጎ ይረድ። 12በእግዚአብሔር (ያህዌ) ፊት ካለው መሠዊያ ፍም ተወስዶ የተሞላበትን ጥና ይያዝ፤ ሁለት እጅ ሙሉ መልካም መዐዛ ያለው ዕጣን ይውሰድ፤ እነዚህንም ወደ መጋረጃው ውስጥ ይዞ ይግባ። 13እንዳይሞትም የዕጣኑ ጢስ በምስክሩ ላይ ያለውን ስርየት መክደኛ ይሸፍነው ዘንድ፣ በእግዚአብሔር (ያህዌ) ፊት ዕጣኑን በእሳቱ ላይ ይጨምረው። 14ከወይፈኑም ደም ወስዶ በስርየቱ መክደኛ ፊተኛው ወገን ላይ በጣቱ ይርጭ፤ ደግሞም በስርየቱ መክደኛ ትይዩ በጣቱ ሰባት ጊዜ ይርጭ።

15“ፍየሉንም ለሕዝቡ የኀጢአት መሥዋዕት አድርጎ ይረደው፤ ደሙንም ወደ መጋረጃው ውስጥ ወስዶ በወይፈኑ ደም እንዳደረገው በዚህኛው ያድርግ፤ ደሙን በስርየቱ መክደኛ ላይ፣ እንዲሁም በመክደኛው ትይዩ ይርጭ። 16ከእስራኤላውያን ርኵሰትና ዐመፅ፣ ከየትኛውም ኀጢአታቸው ይነጻ ዘንድ በዚህ ሁኔታ ለቅድስተ ቅዱሳኑ ያስተሰርይለታል፤ በርኵሰታቸው መካከል በእነርሱ ዘንድ ላለችውም የመገናኛዋ ድንኳን እንደዚሁ ያደርጋል። 17አሮን ለማስተሰረይ ወደ ቅድስተ ቅዱሳን ከገባበት ጊዜ ጀምሮ ለራሱ፣ ለቤተሰቡና ለእስራኤል ማኅበረሰብ ሁሉ አስተሰርዮ እስኪወጣ ድረስ ማንም ሰው በመገናኛው ድንኳን ውስጥ አይገኝ።

18“ከዚያም መጥቶ በእግዚአብሔር (ያህዌ) ፊት ወዳለው መሠዊያ ይምጣ፤ ለመሠዊያውም ያስተሰርይለት፤ ከወይፈኑና ከፍየሉ ደም ወስዶ የመሠዊያውን ቀንዶች ሁሉ ያስነካ፤ 19ከእስራኤላውያንም ርኵሰት መሠዊያውን ለማንጻትና ለመቀደስ ከደሙ ወስዶ በጣቱ ሰባት ጊዜ ይርጭበት።

20“አሮን ለቅድስተ ቅዱሳኑ፣ ለመገናኛው ድንኳንና ለመሠዊያው የሚያደርገውን ስርየት ከፈጸመ በኋላ በሕይወት ያለውን ፍየል ወደ ፊት ያቅርበው፤ 21ሁለት እጆቹን በሕይወት ባለው ፍየል ራስ ላይ ይጫን፤ በላዩም የእስራኤላውያንን ክፋትና ዐመፅ፣ ኀጢአታቸውን ሁሉ በሙሉ ይናዘዝበት፤ እነዚህንም በፍየሉ ራስ ላይ ይጫን፤ ፍየሉንም ለዚሁ ተግባር በተመደበ ሰው እጅ ወደ ምድረ በዳ ይስደደው። 22ፍየሉም ኀጢአታቸውን ሁሉ ተሸክሞ ወደ ምድረ በዳ ይሄዳል፤ ሰውየውም ፍየሉን ሰው ሊኖርበት በማይችል ስፍራ ይልቀቀው።

23“ከዚህ በኋላ አሮን ወደ መገናኛው ድንኳን ሄዶ፣ ወደ ቅድስተ ቅዱሳን ሊገባ ሲል የለበሳቸውን የበፍታ ልብሶች አውልቆ፣ በዚያው ይተዋቸው። 24በተቀደሰውም ስፍራ ሰውነቱን በውሃ ይታጠብ፤ የዘወትር ልብሱንም ይልበስ፤ ከዚያም ወጥቶ ለራሱ ማስተሰረያ የሚቃጠል መሥዋዕት ያቅርብ፣ ለሕዝቡም ማስተሰረያ የሚቃጠል መሥዋዕት ያቅርብ። 25የኀጢአት መሥዋዕቱንም በመሠዊያው ላይ ያቃጥል።

26“የሚለቀቀውን ፍየል የወሰደው ሰው ልብሱን ይጠብ፤ ሰውነቱንም በውሃ ይታጠብ፤ ከዚህ በኋላ ወደ ሰፈር መግባት ይችላል። 27ደማቸው ለማስተሰረያነት ወደ ቅድስተ ቅዱሳን የገባው፣ ለኀጢአት መሥዋዕት የቀረቡት ወይፈንና ፍየል ከሰፈር ውጭ ተወስደው ቈዳቸው፣ ሥጋቸውና ፈርሳቸው ይቃጠል። 28እነዚህንም የሚያቃጥል ሰው ልብሱን ይጠብ፤ ሰውነቱንም በውሃ ይታጠብ፤ ከዚህ በኋላ ወደ ሰፈር መግባት ይችላል።

29“ለእናንተ የተሰጣችሁ የዘላለም ሥርዐት ይህ ነው፦ ሰባተኛው ወር በገባ በዐሥረኛው ቀን ሰውነታችሁን አድክሙ፤16፥29 ወይም ጹሙ፤ እንዲሁም ቍ 31 ይመ የአገሩ ተወላጅም ሆነ በመካከላችሁ የሚኖር መጻተኛ ምንም ሥራ አይሥራ፤ 30የምትነጹበት ስርየት በዚች ዕለት ይደረግላችኋልና በእግዚአብሔርም (ያህዌ) ፊት ከኀጢአታችሁ ሁሉ ትነጻላችሁ። 31ይህች የፍጹም ዕረፍት ሰንበት ናት፤ ሰውነታችሁን አድክሙባት፤ የዘላለም ሥርዐት ናት። 32ሊቀ ካህናት ለመሆን አባቱን በመተካት የተቀባና የተሾመ ካህን ያስተሰርይ፤ የተቀደሰውንም የበፍታ ልብስ ይልበስ፤ 33ለቅድስተ ቅዱሳኑ፣ ለመገናኛው ድንኳንና ለመሠዊያው፣ ለካህናቱና ለማኅበረ ሰቡ ሁሉ ያስተሰርይ።

34“ይህ የዘላለም ሥርዐት ይሁናችሁ፤ በዚህም ሥርዐት መሠረት ለእስራኤላውያን ኀጢአት ሁሉ በዓመት አንድ ጊዜ ስርየት ይደረግ።” እግዚአብሔር (ያህዌ) ሙሴን እንዳዘዘ እንዲሁ ተደረገ።

Het Boek

Leviticus 16:1-35

Grote Verzoendag

1Na de dood van de twee zonen van Aäron, die waren gestorven toen zij voor de Here verschenen, zei de Here tegen Mozes: 2‘Waarschuw uw broer Aäron dat hij niet zomaar in het Heilige der Heiligen, waar de ark en het verzoendeksel zich bevinden, mag komen. De straf daarop is de dood. Want Ik verschijn daar in de wolk die boven het verzoendeksel hangt. 3Alleen op de volgende wijze mag hij die plaats betreden: hij moet een jonge stier als zondoffer en een ram als brandoffer offeren. 4Hij moet zich baden en het heilige linnen onderkleed, de linnen broek en een linnen gordel aantrekken en een linnen tulband opzetten. 5Het volk Israël zal dan twee geitenbokken als zondoffer en een ram als brandoffer brengen. 6Aäron moet eerst de jonge stier aan de Here aanbieden als een zondoffer om verzoening te doen voor zichzelf en zijn gezin. 7Dan zal hij de twee geitenbokken voor de Here brengen bij de ingang van de tabernakel en het lot over hen werpen, 8één lot voor de bok die voor de Here wordt geofferd en één voor de bok die wordt weggezonden. 9De bok waarop het lot van de Here valt, moet Aäron als een zondoffer aan de Here offeren. 10De andere bok zal in leven worden gelaten en voor de Here worden geplaatst. Hij zal als zondebok de woestijn worden ingestuurd. 11-12 Nadat Aäron de jonge stier als zondoffer voor zichzelf en zijn gezin heeft geofferd, moet hij een vuurpan met gloeiende kolen van het altaar van de Here nemen en zijn handen vullen met geurig reukwerk dat tot fijn poeder is verwerkt, en dat achter het gordijn van het Heilige der Heiligen brengen. 13Daar moet hij, voor het oog van de Here, het reukwerk op de gloeiende kolen leggen. Zo zal een wolk van reukwerk het verzoendeksel bedekken dat op de ark ligt (waarin de stenen plaquettes met de wet liggen), opdat hij niet sterft. 14Dan moet hij een deel van het bloed van de jonge stier met zijn vinger op de voorzijde van het verzoendeksel sprenkelen en eveneens zevenmaal voor het verzoendeksel sprenkelen. 15Vervolgens moet hij de bok, het zondoffer van het volk, slachten en het bloed achter het gordijn van het Heilige der Heiligen brengen en het op en voor het verzoendeksel sprenkelen, zoals hij met het bloed van de stier gedaan heeft. 16Zo zal hij verzoening doen over het heiligdom, omdat het is verontreinigd door de zonden van het volk Israël en over de tabernakel, die in hun midden staat en wordt omringd door hun onreinheid. 17Er mag niemand anders in de tabernakel komen wanneer Aäron binnen is om verzoening te doen in het Heilige der Heiligen, totdat hij weer naar buiten komt en verzoening heeft gedaan voor zichzelf, zijn gezin en het volk Israël. 18Dan zal hij naar het altaar voor de Here gaan en er verzoening over doen. 19Hij moet het bloed van de jonge stier en de bok aan de horens van het altaar strijken en met zijn vinger zevenmaal het bloed over het altaar sprenkelen en het reinigen van de zonden van Israël en het op die manier heiligen. 20-21 Wanneer hij verzoening heeft gedaan voor het Heilige der Heiligen, de hele tabernakel en het altaar, zal hij de levende bok nemen en zijn beide handen op zijn kop leggen en alle zonden van het volk Israël over hem belijden. Hij zal al hun zonden op de kop van de bok laden en daarna moet een man die daarvoor is aangewezen, de bok de woestijn in brengen. 22Zo zal de bok alle zonden van het volk naar een onbewoond land meenemen en de man zal hem in de wildernis loslaten. 23Daarna zal Aäron de tabernakel weer binnengaan en de linnen kleding die hij droeg toen hij zich achter het gordijn van het Heilige der Heiligen begaf, uittrekken en daar in de tabernakel achterlaten. 24Dan zal hij zich op een heilige plaats baden, zijn kleren weer aantrekken en naar buiten komen om zijn eigen brandoffer en dat van het volk te offeren, zo zal hij verzoening doen voor zichzelf en voor het gehele volk. 25Ook het vet van het zondoffer moet hij op het altaar verbranden. 26De man die de bok heeft meegenomen naar de wildernis, moet daarna zijn kleren wassen en zich baden en dan weer in het kamp terugkomen. 27De jonge stier en de bok van het zondoffer (Aäron bracht hun bloed in het Heilige der Heiligen om verzoening te doen) zullen buiten het kamp worden gebracht en daar worden verbrand met hun huid en ingewanden. 28Daarna zal de man die ze heeft verbrand zijn kleren wassen, zich baden en teruggaan naar het kamp.

29Dit is een wet die altijd van kracht blijft: op de tiende dag van de zevende maand mag u niet werken. Het moet een dag zijn van zelfonderzoek en vasten voor de Here. Dit geldt zowel voor de geboren Israëliet als voor de buitenlander die bij u woont. 30Want op deze dag wordt verzoening gedaan over uw zonden, u wordt voor de Here van uw zonden gereinigd. 31Het is een sabbat van volledige rust, die in ingetogenheid moet worden doorgebracht. Dit is een altijd geldende wet. 32In de volgende generaties zal deze ceremonie worden uitgevoerd door de gezalfde hogepriester, de tot priester gewijde opvolger van Aäron. 33Hij moet de heilige linnen kleren aantrekken en verzoening doen voor het Heilige der Heiligen, de tabernakel, het altaar, de priester en het volk. 34Dit zal een altijd geldende wet voor u zijn. Zo zult u eenmaal per jaar verzoening doen voor de zonden van het volk Israël.’ 35Aäron voerde de verordeningen die de Here hem door Mozes gaf, met grote nauwkeurigheid uit.