The Message

Genesis 1

Heaven and Earth

11-2 First this: God created the Heavens and Earth—all you see, all you don’t see. Earth was a soup of nothingness, a bottomless emptiness, an inky blackness. God’s Spirit brooded like a bird above the watery abyss.

3-5 God spoke: “Light!”
        And light appeared.
    God saw that light was good
        and separated light from dark.
    God named the light Day,
        he named the dark Night.
    It was evening, it was morning—
    Day One.

6-8 God spoke: “Sky! In the middle of the waters;
        separate water from water!”
    God made sky.
    He separated the water under sky
        from the water above sky.
    And there it was:
        he named sky the Heavens;
    It was evening, it was morning—
    Day Two.

9-10 God spoke: “Separate!
        Water-beneath-Heaven, gather into one place;
    Land, appear!”
        And there it was.
    God named the land Earth.
        He named the pooled water Ocean.
    God saw that it was good.

11-13 God spoke: “Earth, green up! Grow all varieties
        of seed-bearing plants,
    Every sort of fruit-bearing tree.”
        And there it was.
    Earth produced green seed-bearing plants,
        all varieties,
    And fruit-bearing trees of all sorts.
        God saw that it was good.
    It was evening, it was morning—
    Day Three.

14-15 God spoke: “Lights! Come out!
        Shine in Heaven’s sky!
    Separate Day from Night.
        Mark seasons and days and years,
    Lights in Heaven’s sky to give light to Earth.”
        And there it was.

16-19 God made two big lights, the larger
        to take charge of Day,
    The smaller to be in charge of Night;
        and he made the stars.
    God placed them in the heavenly sky
        to light up Earth
    And oversee Day and Night,
        to separate light and dark.
    God saw that it was good.
    It was evening, it was morning—
    Day Four.

20-23 God spoke: “Swarm, Ocean, with fish and all sea life!
        Birds, fly through the sky over Earth!”
    God created the huge whales,
        all the swarm of life in the waters,
    And every kind and species of flying birds.
        God saw that it was good.
    God blessed them: “Prosper! Reproduce! Fill Ocean!
        Birds, reproduce on Earth!”
    It was evening, it was morning—
    Day Five.

24-25 God spoke: “Earth, generate life! Every sort and kind:
        cattle and reptiles and wild animals—all kinds.”
    And there it was:
        wild animals of every kind,
    Cattle of all kinds, every sort of reptile and bug.
        God saw that it was good.

26-28 God spoke: “Let us make human beings in our image, make them
        reflecting our nature
    So they can be responsible for the fish in the sea,
        the birds in the air, the cattle,
    And, yes, Earth itself,
        and every animal that moves on the face of Earth.”
    God created human beings;
        he created them godlike,
    Reflecting God’s nature.
        He created them male and female.
    God blessed them:
        “Prosper! Reproduce! Fill Earth! Take charge!
    Be responsible for fish in the sea and birds in the air,
        for every living thing that moves on the face of Earth.”

29-30 Then God said, “I’ve given you
        every sort of seed-bearing plant on Earth
    And every kind of fruit-bearing tree,
        given them to you for food.
    To all animals and all birds,
        everything that moves and breathes,
    I give whatever grows out of the ground for food.”
        And there it was.

31 God looked over everything he had made;
        it was so good, so very good!
    It was evening, it was morning—
    Day Six.

Het Boek

Genesis 1

De schepping

1In het begin maakte God de hemelen en de aarde. De aarde was woest en leeg en over de watermassa lag een diepe duisternis. Maar de Geest van God zweefde boven de watermassa.

Toen zei God: ‘Laat er licht zijn.’ En toen was er licht. Het beviel God en Hij maakte een duidelijke scheiding tussen het licht en het donker. Het licht noemde Hij ‘dag’ en het donker ‘nacht’. Het werd avond en het werd weer morgen: de eerste dag.

Toen zei God: ‘Laat de watermassa uit elkaar gaan, zodat de wolkenhemel en de zeeën worden gevormd.’ Zo maakte God de wolkenhemel, door de watermassa te verdelen tussen hemel en aarde. Het werd avond en het werd weer morgen: de tweede dag.

Daarna zei God: ‘Laat het water onder de hemel samenstromen in zeeën en het droge land zichtbaar worden.’ En dat gebeurde. 10 God noemde het droge land ‘aarde’ en het samengestroomde water ‘zeeën’. God zag dat het goed was.

11,12 En God zei: ‘Laten er allerlei gewassen, zaaddragende planten en vruchtbomen met zaad in hun vruchten op aarde groeien. De zaden zullen steeds weer planten en bomen voortbrengen.’ Dat gebeurde en ook nu was het goed, zag God. 13 Het werd avond en weer morgen: de derde dag.

14,15 Toen zei God: ‘Ik wil dat er heldere lichten aan de hemel verschijnen om de aarde te verlichten en het verschil tussen dag en nacht aan te geven. Die lichten zullen de vaste tijden regelen en de dagen en jaren aangeven.’ En zo gebeurde het. 16 God maakte twee grote lichten, de zon en de maan, die de aarde moesten verlichten. Het grootste licht, de zon, beheerste de dag en het kleinere, de maan, beheerste de nacht. Tegelijkertijd maakte God de sterren. 17 Hij plaatste de lichten aan de hemel om de aarde te verlichten, 18 dag en nacht aan te geven en het donker van het licht te scheiden. God zag dat het goed was. 19 Het werd avond en het werd weer morgen: de vierde dag.

20 Vervolgens zei God: ‘Ik wil dat de zeeën wemelen van vis en ander leven en laat de lucht vol zijn met allerlei soorten vogels.’ 21 Zo maakte God de grote zeedieren, allerlei vissen en vogels, elk naar hun eigen aard. En Hij keek er met welgevallen naar 22 en zegende ze. ‘Vermenigvuldig je en bevolk de zeeën,’ zei Hij tegen hen en tegen de vogels zei Hij: ‘Zorg dat jullie aantal groeit, zodat de aarde vol wordt.’ 23 Het werd avond en het werd weer morgen: de vijfde dag.

24 God zei toen: ‘Laat de aarde dieren voortbrengen: vee, kruipende dieren en allerlei wilde dieren.’ En weer gebeurde wat Hij had gezegd. 25 God maakte alle soorten wilde dieren, vee en kruipende dieren, elk naar hun eigen soort. God zag dat ook dat goed was.

26 Toen zei God: ‘Laat Ons mensen maken die op Ons lijken en kunnen heersen over alle dieren op aarde, in de zeeën en in de lucht.’

27 God schiep daarop de mens als zijn evenbeeld. Als man en vrouw schiep Hij hen. 28 God zegende hen en zei: ‘Vermenigvuldig je, bevolk de aarde en onderwerp haar. Heers over de vissen, de vogels en alle andere dieren. 29 Kijk om je heen! Overal op aarde staan zaaddragende planten en vruchtbomen, die Ik jullie tot voedsel geef. 30 Al het gras en de planten heb Ik als voedsel aan de dieren en de vogels gegeven.’

31 Toen overzag God alles wat Hij gemaakt had en het was heel goed. Het werd avond en het werd weer morgen: de zesde dag.