Isaiah 2 – NIV & HTB

New International Version

Isaiah 2:1-22

The Mountain of the Lord

1This is what Isaiah son of Amoz saw concerning Judah and Jerusalem:

2In the last days

the mountain of the Lord’s temple will be established

as the highest of the mountains;

it will be exalted above the hills,

and all nations will stream to it.

3Many peoples will come and say,

“Come, let us go up to the mountain of the Lord,

to the temple of the God of Jacob.

He will teach us his ways,

so that we may walk in his paths.”

The law will go out from Zion,

the word of the Lord from Jerusalem.

4He will judge between the nations

and will settle disputes for many peoples.

They will beat their swords into plowshares

and their spears into pruning hooks.

Nation will not take up sword against nation,

nor will they train for war anymore.

5Come, descendants of Jacob,

let us walk in the light of the Lord.

The Day of the Lord

6You, Lord, have abandoned your people,

the descendants of Jacob.

They are full of superstitions from the East;

they practice divination like the Philistines

and embrace pagan customs.

7Their land is full of silver and gold;

there is no end to their treasures.

Their land is full of horses;

there is no end to their chariots.

8Their land is full of idols;

they bow down to the work of their hands,

to what their fingers have made.

9So people will be brought low

and everyone humbled—

do not forgive them.2:9 Or not raise them up

10Go into the rocks, hide in the ground

from the fearful presence of the Lord

and the splendor of his majesty!

11The eyes of the arrogant will be humbled

and human pride brought low;

the Lord alone will be exalted in that day.

12The Lord Almighty has a day in store

for all the proud and lofty,

for all that is exalted

(and they will be humbled),

13for all the cedars of Lebanon, tall and lofty,

and all the oaks of Bashan,

14for all the towering mountains

and all the high hills,

15for every lofty tower

and every fortified wall,

16for every trading ship2:16 Hebrew every ship of Tarshish

and every stately vessel.

17The arrogance of man will be brought low

and human pride humbled;

the Lord alone will be exalted in that day,

18and the idols will totally disappear.

19People will flee to caves in the rocks

and to holes in the ground

from the fearful presence of the Lord

and the splendor of his majesty,

when he rises to shake the earth.

20In that day people will throw away

to the moles and bats

their idols of silver and idols of gold,

which they made to worship.

21They will flee to caverns in the rocks

and to the overhanging crags

from the fearful presence of the Lord

and the splendor of his majesty,

when he rises to shake the earth.

22Stop trusting in mere humans,

who have but a breath in their nostrils.

Why hold them in esteem?

Het Boek

Jesaja 2:1-22

12Maar op het einde der tijden zal de Berg van Jahweh’s tempel Boven de toppen der bergen staan, zich verheffen boven de heuvels. Alle volken stromen er heen, 3Talloze naties maken zich op. Komt, zeggen ze, trekken we naar de Berg van Jahweh, Naar het huis van Jakobs God: Hij zal ons zijn wegen doen kennen, Wij zullen zijn paden betreden. Want uit Sion komt de wet, Uit Jerusalem Jahweh’s woord. 4Hij zal tussen de volkeren scheidsrechter zijn, En recht verschaffen aan machtige naties: Dan smeden ze hun zwaarden tot ploegijzers om, En hun lansen tot sikkels; Geen volk trekt zijn zwaard meer tegen een ander, En niemand oefent zich voor de strijd. 5Op, huis van Jakob; Laat ons wandelen in Jahweh’s licht! 6Maar Jahweh heeft zijn volk verstoten, Het huis van Jakob. Want het is vol van waarzeggerij uit het oosten, Vol tovenaars als Filistea; En van de kinderen der barbaren Is het geheel overstroomd. 7Hun land is vol zilver en goud: Geen eind aan hun schatten; Hun land is vol paarden: Geen eind aan hun wagens; 8Hun land is vol goden: Geen eind aan hun beelden; Ze werpen zich neer voor het werk hunner handen, Voor hun eigen maaksel. 9Maar die mensen worden te schande, Die mannen vernederd, nooit staan ze meer op! 10Ze sluipen weg in de rotsen, en kruipen diep in de grond, Uit angst voor Jahweh, en de glans van zijn luister. 11De trotse blik van die mensen moet neer, De hoogmoed dier mannen gebroken: Hoog verheven blijft Jahweh alleen Op die dag! 12Want de dag van Jahweh der heirscharen komt Tegen al wat verwaand is en trots; Tegen al wat zich opheft, Wat hoog is zal vallen. 13Tegen alle rijzige Libanon-ceders, En alle hoge eiken van Basjan; 14Tegen alle reusachtige bergen, En alle geweldige heuvels. 15Tegen alle machtige torens, En alle ongenaakbare wallen; 16Tegen alle schepen van Tarsjisj, En alle fiere galjoenen. 17Dan wordt de trots van die mensen gebroken, De hoogmoed dier mannen vernederd: Hoog verheven blijft Jahweh alleen Op die dag! 18Ook de goden zullen allen verdwijnen, 19Wegsluipen in de spelonken en in de holen der aarde, Uit angst voor Jahweh en de glans van zijn luister, Als Hij opstaat, om de aarde met ontzetting te slaan. 20En op die dag gooien de mensen Hun zilveren goden weg met hun goden van goud, Die ze maakten om ze te aanbidden: Weg, voor de ratten en muizen. 21Als ge dan wegsluipt in de spelonken En in de spleten der klippen, Uit angst voor Jahweh en de glans van zijn luister, Als Hij opstaat, om de aarde met ontzetting te slaan: 22Dan moet ge wel ophouden, Op mensen te steunen, Die enkel in hun neus wat adem hebben; Wat zouden ze dan voor waarde bezitten?