Het Boek

Lucas 1:1-80

De geboorte van Johannes de Doper aangekondigd

1Beste Theofilus, er zijn al verscheidene boeken over het leven van Jezus Christus geschreven. 2Men is daarbij steeds uitgegaan van wat de eerste leerlingen en andere ooggetuigen hebben verteld. 3Toch dacht ik dat het nuttig zou zijn alles nog eens nauwkeurig na te gaan en u daarvan een geordend verslag uit te brengen. 4U zult zien dat het volledig overeenstemt met wat u is geleerd.

5Mijn verhaal begint bij de Joodse priester Zacharias, die leefde in de tijd dat Herodes koning van Judea was. Hij behoorde tot de priesterafdeling van Abia. Zijn vrouw Elisabeth kwam net als hijzelf uit het priestergeslacht van Aäron. 6Zacharias en Elisabeth waren goede mensen, die zich stipt aan Gods wetten hielden. 7Zij hadden geen kinderen, omdat Elisabeth onvruchtbaar was. Op het moment dat dit verhaal begint, waren zij allebei al erg oud.

8Op een dag had Zacharias dienst in de tempel, omdat zijn afdeling aan de beurt was. 9Er werd altijd om geloot wie het heiligdom van God zou binnengaan om wierook te branden. Deze keer was het lot op Zacharias gevallen. 10Terwijl hij in het heiligdom bezig was, stonden op het tempelplein vele mensen te bidden. 11Plotseling zag Zacharias een engel van de Here staan, rechts van het altaar waarop de wierook werd gebrand. 12Hij wist niet wat hem overkwam en werd bang. 13De engel zei: ‘Wees niet bang, Zacharias. Ik ben gekomen om u te vertellen dat God uw gebed heeft verhoord. Uw vrouw Elisabeth zal een zoon krijgen en u moet hem Johannes noemen. 14Hij zal u en vele andere mensen heel erg blij maken. 15Uw zoon zal een groot man zijn in de ogen van de Here. Hij mag geen druppel wijn of sterke drank drinken en al voor zijn geboorte zal hij vol zijn van de Heilige Geest. 16Hij zal vele Joden ervan overtuigen dat zij moeten terugkeren tot de Here, hun God. 17Hij zal een bijzondere man zijn, een boodschapper met dezelfde geest en kracht als de profeet Elia. Hij zal ouders en kinderen verzoenen en de ongehoorzamen weer op het pad van de rechtvaardigheid brengen. Zo vormt hij een volk dat gereedstaat voor God.’ 18Zacharias zei tegen de engel: ‘Moet ik dat zomaar geloven? Ik ben immers al oud en mijn vrouw ook!’

19Toen zei de engel: ‘Ik ben Gabriël en leef heel dicht bij God. Hij heeft mij naar u toegestuurd om u dit te vertellen, maar u wilt mij niet geloven. 20Daarom zult u vanaf nu niet meer kunnen spreken. Pas als het kind geboren is, zult u weer kunnen spreken. Want wat ik heb gezegd, zal precies op tijd uitkomen.’ 21Ondertussen stonden de mensen buiten op Zacharias te wachten. Zij vroegen zich af waarom hij zo lang in het heiligdom bleef. 22Eindelijk kwam hij naar buiten, maar hij zei niets. Hij kon geen woord uitbrengen. Uit zijn gebaren konden zij opmaken dat hij in het heiligdom een engel had gezien. 23Zacharias bleef in de tempel tot zijn dienst voorbij was en ging toen naar huis terug. 24Kort daarna werd Elisabeth zwanger. Vijf maanden lang kwam zij niet onder de mensen. 25‘Wat is de Here goed voor mij!’ juichte zij. ‘Hij heeft de schande van mij weggenomen dat ik geen kinderen had.’

De geboorte van Jezus aangekondigd

26Toen Elisabeth in haar zesde maand was, stuurde God de engel Gabriël naar Nazareth, een stad in Galilea. 27Hij moest bij Maria zijn, een jonge vrouw die verloofd was met een zekere Jozef, die nog van koning David afstamde. 28Gabriël kwam bij haar binnen en zei: ‘Ik wens u vrede toe! U bent een gelukkige vrouw. De Here zij met u!’ 29Maria raakte daardoor in de war en werd bang. Zij vroeg zich af wat hij bedoelde. 30‘Wees niet bang, Maria,’ zei de engel, ‘want God heeft besloten u heel bijzonder te zegenen. 31U zult zwanger worden en een zoon krijgen, die u de naam Jezus moet geven. 32Hij zal een groot man zijn en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd. God, de Here, zal Hem de troon van zijn voorvader David geven. 33Hij zal voor altijd over het volk Israël regeren en aan zijn regering zal geen einde komen.’

34‘Maar hoe kan ik een kind krijgen?’ vroeg Maria. ‘Ik ben nog maagd.’ 35De engel antwoordde: ‘De Heilige Geest zal over u komen. U zult zwanger worden door de kracht van God. Daarom zal uw Kind heilig zijn en de Zoon van God worden genoemd. 36Ik heb nog meer nieuws. Het is over uw oude tante Elisabeth. U weet dat zij geen kinderen kon krijgen, maar nu verwacht zij een zoon. Zij is al in haar zesde maand. 37Voor God is niets onmogelijk. Wat Hij zegt, gebeurt.’

38‘Goed,’ zei Maria, ‘de Here mag met mij doen wat Hij wil. Ik hoop dat het zo zal gaan als u mij hebt gezegd.’ Daarop ging de engel weg.

39Kort daarop reisde Maria zo vlug zij kon naar het bergland van Judea om Elisabeth te bezoeken. 40Zij ging het huis van Zacharias binnen en groette Elisabeth. 41Toen Elisabeth de groet van Maria hoorde, begon het kind in haar buik te trappelen. En Elisabeth zelf werd vol van de Heilige Geest. 42Zij jubelde het uit en zei tegen Maria: ‘Jij bent de meest gezegende vrouw van de hele wereld en jouw kind draagt Gods zegen.

43Wat een eer dat de moeder van mijn Here bij mij op bezoek komt. 44Want toen je binnenkwam en ik je stem hoorde, begon het kind in mijn buik te trappelen van blijdschap. 45Jij hebt geloofd dat God zou doen wat Hij zei. Wat een geluk!’

46Maria antwoordde: ‘Ik prijs de Here met mijn hele hart! 47Ik kan mijn blijdschap niet op! 48God, mijn Redder, heeft aan mij gedacht. En ik ben maar een gewone vrouw. Nu zullen de mensen altijd en overal zeggen dat ik bevoorrecht ben, 49want de machtige, heilige God heeft grote dingen voor mij gedaan. 50Hij is altijd goed voor mensen, die ontzag voor Hem hebben. 51Hij heeft laten zien hoe groot en machtig Hij is. Hij heeft hoogmoedige mensen in verwarring gebracht 52en vorsten van hun troon gestoten. Maar gewone mensen zijn door Hem op een voetstuk gezet. 53Hij heeft hongerigen overladen met het goede en rijken met lege handen weggestuurd. 54Hij heeft zijn knecht Israël geholpen. 55Hij is zijn belofte niet vergeten, want Hij had Abraham en zijn kinderen beloofd altijd goed voor hen te zijn.’

56Maria bleef ongeveer drie maanden bij Elisabeth. Toen ging zij terug naar huis. 57De dag kwam dat Elisabeths kind geboren werd en het was een jongen. 58Natuurlijk kwamen haar buren en familieleden het al gauw te weten. Iedereen was blij omdat de Here zo goed voor haar was geweest. 59Toen het kind acht dagen oud was, werd naar Joods gebruik zijn voorhuid weggesneden en kreeg hij zijn naam. Ieder die bij deze plechtigheid aanwezig was, dacht dat het kind net als zijn vader Zacharias zou heten. 60Maar Elisabeth zei: ‘Nee! Hij moet Johannes heten.’ 61‘Johannes? Er is toch niemand in de hele familie die zo heet!’ zei men. 62Ze vroegen de vader wat hij ervan vond. 63Hij maakte hun duidelijk dat hij iets wilde hebben om op te schrijven. 64Tot ieders verbazing schreef hij: ‘Zijn naam is Johannes.’ Op hetzelfde moment kon hij weer spreken en begon hij God te prijzen. 65Dit maakte diepe indruk op de mensen. Overal in het bergland van Judea werd erover gesproken. 66Ieder die het nieuws hoorde, nam het ter harte en zei: ‘Wat zal er van dat kind worden?’ Want het was duidelijk dat de Here iets bijzonders met hem voorhad. 67Zacharias werd vol van de Heilige Geest, die hem liet zeggen: 68‘Prijs de Here, de God van Israël. Hij heeft zijn volk bezocht en gered. 69Hij heeft ons een machtige Redder gestuurd uit het geslacht van zijn dienaar David, 70zoals Hij lang geleden door zijn heilige profeten had beloofd. 71Hij heeft ons iemand gestuurd die ons zal redden uit de handen van onze vijanden, van allen die ons haten. 72Hij is goed voor onze voorouders geweest. 73Hij heeft zijn plechtige belofte aan Abraham niet vergeten. 74Hij heeft ons het voorrecht gegeven Hem te dienen zonder angst, bevrijd uit de handen van onze vijanden. 75Wij mogen bij Hem horen en doen wat Hij zegt, heel ons leven lang.

76En jij, kind, jij zult een profeet van de Allerhoogste God worden ge-noemd. Jij zult voor de Redder uitgaan om zijn volk voor te bereiden op zijn komst. 77Jij zult hun vertellen dat zij gered kunnen worden door de vergeving van hun zonden. 78Want het hart van onze God loopt over van liefde en goedheid. Een hemels licht zal op ons schijnen, 79zodat de mensen die in het donker en de schaduw van de dood zitten, weer kunnen zien en wij op de weg van de vrede worden gebracht.’

80De jonge Johannes groeide op en werd sterk gemaakt door de Heilige Geest. Hij hield zich op in dorre streken en bleef daar tot de dag dat hij in het openbaar in Israël optrad.

Luganda Contemporary Bible

Lukka 1:1-80

1Abantu bangi bagezezzaako okuwandiika ebyafaayo ebyatuukirizibwa mu ffe, 21:2 a Mak 1:1; Yk 15:27; Bik 1:21, 22 b Beb 2:3; 1Pe 5:1; 2Pe 1:16; 1Yk 1:1 c Mak 4:14ng’abo abaasooka edda bwe baabitubuulira, nga be baali abajulirwa era abaweereza b’Ekigambo okuviira ddala ku lubereberye. 31:3 a Bik 11:4 b Bik 24:3; 26:25 c Bik 1:1Bwe ntyo bwe mmaze okukakasiza ddala buli kintu n’obwegendereza okuva ku by’olubereberye okutuukira ddala ku byasembayo, ne ndaba nga kirungi okukuwandiikira ggwe Teefiro ow’ekitiibwa ennyo, ndyoke mbikuwandiikire nga bwe byaliraanagana. 41:4 Yk 20:31Olyoke omanye amazima g’ebyo bye wayigirizibwa.

Okulanga Okuzaalibwa kwa Yokaana Omubatiza

51:5 a Mat 2:1 b 1By 24:10Awo mu biro Kabaka Kerode we yafugira Obuyudaaya, waaliwo kabona erinnya lye Zaakaliya, nga wa mu kitongole kya Abiya, nga mukyala we naye yali wa mu kika kya Alooni, erinnya lye Erisabesi. 61:6 Lub 7:1; 1Bk 9:4Abantu abo bombi baali batuukirivu mu maaso ga Katonda, era nga batambulira mu mateeka ga Katonda gonna, ne mu biragiro bya Mukama, nga tebaliiko kya kunenyezebwa. 7Bombi baali bakaddiye nnyo, era tebaalina mwana, kubanga Erisabesi yali mugumba.

81:8 1By 24:19; 2By 8:14Awo lwali lumu, Zaakaliya bwe yali ng’ali ku mulimu gwe ogw’obwakabona mu maaso ga Katonda, kubanga kye kyali ekiseera eky’oluwalo lwe, 91:9 Kuv 30:7, 8; 1By 23:13; 2By 29:11n’alondebwa okwoteza obubaane mu yeekaalu ya Mukama, ng’emirimu gy’obwakabona bwe gyabanga. 101:10 Lv 16:17Mu ssaawa eyo ey’okwoteza obubaane ekibiina kyonna eky’abantu baali bakuŋŋaanidde mu luggya lwa Yeekaalu.

111:11 a Bik 5:19 b Kuv 30:1-10Awo malayika wa Mukama n’alabikira Zaakaliya, n’ayimirira ku luuyi olwa ddyo olw’ekyoto okwoterezebwa obubaane! 121:12 Bal 6:22, 23; 13:22Zaakaliya n’atya nnyo bwe yalaba malayika, entiisa n’emukwata. 131:13 a nny 30; Mat 14:27 b Mat 14:60, 63Naye malayika n’amugamba nti, “Totya Zaakaliya! Kubanga okusaba kwo kuwuliddwa, era mukazi wo Erisabesi ajja kukuzaalira omwana wabulenzi. Olimutuuma erinnya Yokaana. 141:14 nny 58Mwembi mulisanyuka nnyo ne mujaguza. Era bangi abalibasanyukirako olw’okuzaalibwa kwe. 151:15 a Kbl 6:3; Bal 13:4; Luk 7:33 b Yer 1:5; Bag 1:15Kubanga aliba mukulu mu maaso ga Katonda. Talinywa mwenge wadde ekitamiiza kyonna. Era alijjuzibwa Mwoyo Mutukuvu ng’akyali mu lubuto lwa nnyina. 16Era alireetera abaana ba Isirayiri bangi okudda eri Mukama Katonda waabwe. 171:17 a nny 76 b Mat 11:14 c Mal 4:5, 6Aliweerereza mu mwoyo ne mu maanyi aga nnabbi Eriya, n’akyusa emitima gy’aba kitaabwe okudda eri abaana baabwe, n’okukyusa emitima gy’abajeemu okudda eri amagezi g’abatuukirivu alyoke ateeketeeke abantu okulindirira Mukama.”

181:18 nny 34; Lub 17:17Zaakaliya n’agamba malayika nti, “Ekyo nnaakimanya ntya? Kubanga nze ndi mukadde, ne mukazi wange naye akaddiya nnyo.”

191:19 nny 26; Dan 8:16; 9:21; Mat 18:10Malayika n’amugamba nti, “Nze Gabulyeri ayimirira mu maaso ga Katonda, era y’antumye okwogera naawe n’okukuleetera amawulire gano. 201:20 Ez 3:26Naye olw’okuba nga tokkirizza bigambo byange, ojja kuziba omumwa, era togenda kuddamu kwogera okutuusa ng’ebintu ebyo bimaze okubaawo. Kubanga ebigambo byange byonna birimala kutuukirira mu kiseera kyabyo.”

21Abantu abaali balindirira ebweru wa Yeekaalu okulaba Zaakaliya ne beewuunya nnyo ekyamulwisaayo ennyo bw’atyo. 221:22 nny 62Oluvannyuma ennyo bwe yavaayo, yali tasobola kwogera nabo, ne bategeera nga mu Yeekaalu afuniddeyo okwolesebwa. N’asigala ng’azibye omumwa naye ng’abategeeza mu bubonero.

23N’abeera mu Yeekaalu okutuusa ennaku ze ez’oluwalo lwe zaggwaako n’alyoka addayo eka. 24Ennaku ezo bwe zaayitawo, mukazi we Erisabesi n’aba olubuto, ne yeekwekera ebbanga lya myezi etaano. 251:25 Lub 30:23; Is 4:1N’agamba nti, “Mukama nga wa kisa kingi, kubanga anziggyeeko ensonyi olw’obutaba na mwana.”

Okuzaalibwa kwa Yesu Kulangibwa

261:26 a nny 19 b Mat 2:23Awo mu mwezi ogw’omukaaga, Katonda n’atuma malayika Gabulyeri mu kibuga Nazaaleesi eky’omu Ggaliraaya 271:27 Mat 1:16, 18, 20; Luk 2:4eri omuwala erinnya lye Maliyamu, nga tamanyi musajja, eyali ayogerezebwa omusajja erinnya lye Yusufu, ow’omu lulyo lwa Dawudi. 28Awo Gabulyeri n’alabikira Maliyamu n’amulamusa nti, “Mirembe! Ggwe aweereddwa omukisa! Mukama ali naawe!”

29Maliyamu n’atya, n’abulwa n’ekyokwogera, ng’okulamusa okwo kumutabudde, nga n’amakulu gaakwo tagategeera. 301:30 nny 13; Mat 14:27Awo malayika n’amugamba nti, “Totya, Maliyamu, kubanga olabye ekisa mu maaso ga Katonda. 311:31 Is 7:14Kubanga, laba, olibeera olubuto, olizaala omwana wabulenzi era olimutuuma erinnya, Yesu. 321:32 nny 35, 76; Mak 5:7Agenda kuba mukulu, wa kitiibwa, era aliyitibwa Omwana w’Oyo Ali Waggulu Ennyo, era Mukama Katonda alimuwa entebe ey’obwakabaka eya jjajjaawe Dawudi. 331:33 a Mat 28:18 b Dan 2:44; 7:14, 27Alifuga ennyumba ya Yakobo emirembe gyonna, era n’obwakabaka bwe tebulikoma.”

34Awo Maliyamu n’abuuza malayika nti, “Ekyo kiriba kitya? Kubanga simanyi musajja.”

351:35 a Mat 1:18 b nny 32, 76 c Mak 1:24 d Mat 4:3Malayika n’amuddamu nti, “Mwoyo Mutukuvu alikukkako, n’amaanyi g’Oyo Ali Waggulu Ennyo galikubuutikira, n’omwana alizaalibwa aliba mutukuvu, Omwana wa Katonda. 36Laba, muganda wo Erisabesi eyayitibwanga omugumba, kati ali lubuto lwa myezi mukaaga mu bukadde bwe. 371:37 Mat 19:26Kubanga buli kigambo kiyinzika eri Katonda.”

38Maliyamu n’addamu nti, “Nze ndi muweereza wa Mukama, kibe ku nze nga bw’ogambye.” Malayika n’ava w’ali, n’agenda.

Maliyamu Akyalira Erisabesi

391:39 nny 65Awo mu biro ebyo, Maliyamu n’ayanguwa okugenda mu nsi ya Buyudaaya ey’ensozi, mu kibuga kyayo. 40N’ayingira mu nnyumba ya Zaakaliya n’alamusa Erisabesi. 41Naye Maliyamu bwe yalamusa Erisabesi, omwana eyali mu lubuto lwa Erisabesi n’abuukabuuka era n’ajjuzibwa Mwoyo Mutukuvu. 421:42 Bal 5:24Erisabesi n’alyoka ayogerera mu ddoboozi ery’omwanguka nti, “Oweereddwa omukisa, ggwe mu bakazi, era n’omwana ali mu lubuto lwo aweereddwa omukisa. 43Nga nfunye ekitiibwa kinene ggwe nnyina wa Mukama wange okujja okunkyalira! 44Kubanga bw’oyingidde n’onnamusa, omwana ali mu lubuto lwange oluwulidde ku ddoboozi lyo ne yeekyusakyusa olw’essanyu! 45Oweereddwa omukisa bw’okkirizza nti ebintu ebyo Mukama bya kwogeddeko birituukirizibwa.”

Oluyimba lwa Maliyamu

461:46 Zab 34:2, 3Maliyamu n’agamba nti,

471:47 1Ti 1:1; 2:3“Emmeeme yange etendereza Mukama.

N’omwoyo gwange gusanyukidde Katonda omulokozi wange,

481:48 a Zab 138:6 b Luk 11:27Kubanga alabye

obuwombeefu bw’omuweereza we.

Kubanga laba, okuva kaakano, ab’emirembe gyonna banaampitanga eyaweebwa omukisa.

491:49 a Zab 71:19 b Zab 111:9Kubanga Owaamaanyi ankoledde ebikulu;

N’erinnya lye ttukuvu.

501:50 Kuv 20:6; Zab 103:17N’okusaasira kwe kwa mirembe na mirembe

eri abo abamutya.

511:51 Zab 98:1; Is 40:10Akoze eby’amaanyi n’omukono gwe.

Asaasaanyizza ab’emitima egy’amalala.

52Awanudde abafuzi ku ntebe zaabwe ez’obwakabaka

n’agulumiza abawombeefu.

531:53 Zab 107:9Abali mu kwetaaga abakkusizza ebirungi.

Naye abagagga n’abagoba nga tabawaddeeyo kantu.

541:54 Zab 98:3Adduukiridde omuweereza we Isirayiri,

n’ajjukira okusaasira,

551:55 Lub 17:19; Zab 132:11; Bag 3:16nga bwe yayogera ne bajjajjaffe,

eri Ibulayimu n’ezzadde lye emirembe gyonna.”

56Maliyamu n’amala ewa Erisabesi muganda we, ng’emyezi esatu, n’alyoka addayo ewuwe.

Okuzaalibwa kwa Yokaana

57Awo ekiseera kya Erisabesi eky’okuzaala ne kituuka, n’azaala omwana wabulenzi. 58Baliraanwa ba Erisabesi n’ab’ekika kye ne bawulira nga Mukama bw’amulaze ekisa, ne basanyukira wamu naye.

591:59 Lub 17:12; Lv 12:3; Luk 2:21; Baf 3:5Awo omwana bwe yaweza ennaku omunaana, ne bajja okumukomola, bonna nga balowooza nti ajja kutuumibwa erinnya lya kitaawe Zaakaliya. 601:60 nny 13, 63Naye Erisabesi n’abagamba nti, “Nedda, ajja kutuumibwa Yokaana.”

61Ne bamuwakanya nga bagamba nti, “Mu kika kyo kyonna tetuwulirangayo yatuumibwa linnya eryo.”

621:62 nny 22Ne babuuza kitaawe w’omwana erinnya ly’ayagala atuumibwe. 631:63 nny 13, 60N’abasaba eky’okuwandiikako, n’awandiikako nti, “Erinnya lye ye Yokaana!” Bonna ne beewuunya nnyo! 641:64 nny 20Amangwago akamwa ka Zaakaliya ne kagguka, n’olulimi lwe ne lusumulukuka, n’atandika okwogera n’okutendereza Katonda. 651:65 nny 39Abantu bonna ab’omu kitundu ekyo ne batya nnyo, era ebigambo ebyo ne bibuna mu nsi yonna ey’e Buyudaaya ey’ensozi. 661:66 Lub 39:2; Bik 11:21Buli eyawulira ebigambo ebyo n’abirowoozaako nnyo mu mutima gwe, ne yeebuuza nti, “Naye omwana ono bw’alikula aliba atya?” Kubanga awatali kubuusabuusa, omukono gwa Mukama gwali wamu naye.

Oluyimba lwa Zaakaliya

671:67 Yo 2:28Awo Zaakaliya kitaawe, n’ajjula Mwoyo Mutukuvu n’awa obunnabbi nti,

681:68 a Zab 72:18 b Zab 111:9; Luk 7:16“Atenderezebwe Mukama Katonda wa Isirayiri,

kubanga akyalidde abantu be, era abanunudde.

691:69 a 1Sa 2:1, 10; Zab 18:2; 89:17; 132:17; Ez 29:21 b Mat 1:1Yatuyimusiriza obuyinza obw’obulokozi,

mu nnyumba y’omuddu we Dawudi.

701:70 Yer 23:5Nga bwe yasuubiriza mu bigambo bya bannabbi be abatukuvu ab’edda ennyo,

71Okulokolebwa mu balabe baffe,

n’okuva mu mukono gw’abo bonna abatukyawa,

721:72 a Mi 7:20 b Zab 105:8, 9; 106:45; Ez 16:60okulaga bajjajjaffe ekisa,

n’ajjukira n’endagaano ye entukuvu,

731:73 Lub 22:16-18ekirayiro kye yalayirira jjajjaffe Ibulayimu,

741:74 Beb 9:14okukituukiriza, n’okulokolebwa okuva mu mukono gw’abalabe baffe awatali kutya,

tulyoke tuweereze mu maaso ge,

751:75 Bef 4:24mu butukuvu ne mu butuukirivu ennaku zonna ez’obulamu bwaffe.

761:76 a Mat 11:9 b nny 32, 35 c nny 17; Mal 3:1“Naawe, mwana wange, oliyitibwa nnabbi w’Oyo Ali Waggulu Ennyo;

kubanga gw’olikulembera Mukama okumuteekerateekera amakubo ge.

771:77 Yer 31:34; Mak 1:4Okumanyisa abantu be obulokozi,

obw’okusonyiyibwa ebibi byabwe.

781:78 Mal 4:2Byonna birituukirira olw’ekisa kya Katonda waffe ekingi.

Emmambya esala eritukyalira okuva mu ggulu,

791:79 Is 9:2; 59:9; Mat 4:16; Bik 26:18okwakira abo abatudde mu kizikiza

ne mu kisiikirize eky’okufa,

okuluŋŋamya ebigere byaffe mu kkubo ery’emirembe.”

801:80 Luk 2:40, 52Omwana n’akula n’ayongerwako amaanyi mu mwoyo, n’abeera mu malungu okutuusa ku lunaku lwe yayolesebwa eri Isirayiri.