Het Boek

2 Kronieken 7

De Heerlijkheid van de Here vult de tempel

11,2 Nadat Salomo zijn gebed had beëindigd, flitste vuur vanuit de hemel naar beneden dat de offers verteerde. En de Heerlijkheid van de Here vulde de tempel, zodat de priesters niet naar binnen konden. Alle mensen hadden het zien gebeuren en knielden met gebogen hoofd om de Here te aanbidden en te danken. Zij riepen uit: ‘Hij is goed en zijn goedheid en liefde duren tot in eeuwigheid!’

4,5 Daarna wijdden de koning en zijn onderdanen de tempel in door brandoffers aan de Here te offeren. Koning Salomoʼs bijdrage daaraan bedroeg tweeëntwintigduizend ossen en honderdtwintigduizend schapen. De priesters stonden op hun normale posten en de Levieten speelden een lied om de Here te danken voor zijn eeuwigdurende goedheid. Daarvoor gebruikten zij de muziekinstrumenten die koning David zelf had gemaakt en had gebruikt om de Here te loven. Toen de priesters op de trompetten bliezen, bleef iedereen staan. Salomo heiligde de binnenhof van de tempel, zodat deze die dag kon worden gebruikt als offerplaats, want het koperen altaar kon de vele offers niet verwerken. De zeven dagen die volgden, werden gebruikt voor de viering van het loofhuttenfeest. Vanuit heel Israël kwamen grote groepen mensen en onder hen waren er zelfs uit Hamath in het uiterste noorden en uit de buurt van de grens met Egypte in het uiterste zuiden. Zeven dagen lang werd dit feest van de inwijding van de tempel gevierd, op de achtste dag werd een plechtige bijeenkomst gehouden en vervolgens vierden ze zeven dagen lang het loofhuttenfeest. 10 Op de drieëntwintigste dag van de zevende maand stuurde Salomo de mensen terug naar huis. Iedereen was blij en opgewekt, omdat de Here zo goed was geweest voor David, Salomo en zijn volk Israël.

11 Toen Salomo de bouw van de tempel en van zijn eigen paleis voltooid had en alles had gedaan wat hij zich had voorgenomen, 12 verscheen de Here hem in de nacht en zei: ‘Ik heb uw gebed gehoord en deze tempel gekozen als de plaats waar u Mij uw offers mag brengen. 13 Als Ik de hemel sluit zodat er geen regen valt of als Ik de sprinkhanenzwermen beveel dat zij al uw oogsten moeten opeten of als Ik de pest onder u laat uitbreken 14 en mijn volk zich vernedert en bidt, Mij weer zoekt en breekt met zijn zondige praktijken, dan zal Ik vanuit de hemel luisteren, zijn zonden vergeven en het land weer gezond maken. 15,16 Ik zal aandachtig luisteren naar elk gebed dat wordt uitgesproken op deze plaats die Ik heb uitgekozen en afgezonderd als mijn eeuwige woonplaats, mijn ogen en mijn hart zullen daar voor altijd zijn. 17 En wat uzelf betreft: als u Mij volgt zoals uw vader David deed, 18 zal Ik ervoor zorgen dat u en uw nakomelingen voor altijd koningen van Israël blijven. 19 Maar als u Mij niet volgt en de wetten die Ik u gaf, niet naleeft en afgoden aanbidt, 20 zal Ik mijn volk wegjagen uit dit land dat Ik het gaf en zal deze tempel worden verwoest, ook al heb Ik hem voor mijzelf geheiligd. Ik zal er dan een afschrikwekkend voorbeeld van maken, een plaats die het onderwerp wordt van spot en kwaadsprekerij. 21 Dan zal die plaats niet langer beroemd zijn. Nee, de mensen die er voorbijkomen, zullen zich vol verbazing afvragen: “Waarom heeft de Here zoiets vreselijks gedaan met dit land en deze tempel?” 22 En het antwoord zal dan luiden: “Omdat de Israëlieten de Here, de God van hun voorouders de rug toekeerden—de God die hen uit het land Egypte bevrijdde—en zij in plaats van Hem andere goden vereerden. Daarom heeft Hij deze vreselijke ramp over hen gebracht.” ’

New Living Translation

2 Chronicles 7

The Dedication of the Temple

1When Solomon finished praying, fire flashed down from heaven and burned up the burnt offerings and sacrifices, and the glorious presence of the Lord filled the Temple. The priests could not enter the Temple of the Lord because the glorious presence of the Lord filled it. When all the people of Israel saw the fire coming down and the glorious presence of the Lord filling the Temple, they fell face down on the ground and worshiped and praised the Lord, saying,

“He is good!
    His faithful love endures forever!”

Then the king and all the people offered sacrifices to the Lord. King Solomon offered a sacrifice of 22,000 cattle and 120,000 sheep and goats. And so the king and all the people dedicated the Temple of God. The priests took their assigned positions, and so did the Levites who were singing, “His faithful love endures forever!” They accompanied the singing with music from the instruments King David had made for praising the Lord. Across from the Levites, the priests blew the trumpets, while all Israel stood.

Solomon then consecrated the central area of the courtyard in front of the Lord’s Temple. He offered burnt offerings and the fat of peace offerings there, because the bronze altar he had built could not hold all the burnt offerings, grain offerings, and sacrificial fat.

For the next seven days Solomon and all Israel celebrated the Festival of Shelters.[a] A large congregation had gathered from as far away as Lebo-hamath in the north and the Brook of Egypt in the south. On the eighth day they had a closing ceremony, for they had celebrated the dedication of the altar for seven days and the Festival of Shelters for seven days. 10 Then at the end of the celebration,[b] Solomon sent the people home. They were all joyful and glad because the Lord had been so good to David and to Solomon and to his people Israel.

The Lord’s Response to Solomon

11 So Solomon finished the Temple of the Lord, as well as the royal palace. He completed everything he had planned to do in the construction of the Temple and the palace. 12 Then one night the Lord appeared to Solomon and said,

“I have heard your prayer and have chosen this Temple as the place for making sacrifices. 13 At times I might shut up the heavens so that no rain falls, or command grasshoppers to devour your crops, or send plagues among you. 14 Then if my people who are called by my name will humble themselves and pray and seek my face and turn from their wicked ways, I will hear from heaven and will forgive their sins and restore their land. 15 My eyes will be open and my ears attentive to every prayer made in this place. 16 For I have chosen this Temple and set it apart to be holy—a place where my name will be honored forever. I will always watch over it, for it is dear to my heart.

17 “As for you, if you faithfully follow me as David your father did, obeying all my commands, decrees, and regulations, 18 then I will establish the throne of your dynasty. For I made this covenant with your father, David, when I said, ‘One of your descendants will always rule over Israel.’

19 “But if you or your descendants abandon me and disobey the decrees and commands I have given you, and if you serve and worship other gods, 20 then I will uproot the people from this land that I have given them. I will reject this Temple that I have made holy to honor my name. I will make it an object of mockery and ridicule among the nations. 21 And though this Temple is impressive now, all who pass by will be appalled. They will ask, ‘Why did the Lord do such terrible things to this land and to this Temple?’

22 “And the answer will be, ‘Because his people abandoned the Lord, the God of their ancestors, who brought them out of Egypt, and they worshiped other gods instead and bowed down to them. That is why he has brought all these disasters on them.’”

Footnotes

  1. 7:8 Hebrew the festival (also in 7:9); see note on 5:3.
  2. 7:10 Hebrew Then on the twenty-third day of the seventh month. This day of the ancient Hebrew lunar calendar occurred in October or early November.