Knijga O Kristu

Matej 19:1-30

O braku i rastavi

(Mk 10:1-12; Lk 16:18)

1Kad je Isus završio s govorom, ode iz Galileje u Judeju s istočne strane rijeke Jordana. 2Za njim je pošlo silno mnoštvo te ih je on ondje iscjeljivao.

3Priđu mu neki farizeji pa ga upitaju pokušavajući ga zaskočiti: “Smije li se muž razvesti od žene zbog bilo kojeg razloga?”

4On odgovori: “Niste li u Pismu čitali da ih je Stvoritelj na početku stvorio ‘muškim i ženskim’19:4 Postanak 1:27; 5:2. 5i da je rekao: ‘Čovjek će ostaviti oca i majku da bi se sjedinio sa svojom ženom, i njih će dvoje biti jedno tijelo’?19:5 Postanak 2:24. 6Njih dvoje, prema tome, nisu više dva, nego jedno. Neka dakle nijedan čovjek ne rastavlja one koje je Bog sjedinio!”

7“Zašto je onda Mojsije rekao da muž treba ženi samo napisati otpusnicu pa se može razvesti?”19:7 Ponovljeni zakon 24:1. upitaju.

8Isus im odgovori: “Mojsije je učinio taj ustupak da možete otpustiti svoju ženu zbog vaših tvrdih srca, ali u početku nije bilo tako. 9Ali ja vam kažem: Tko god se razvede od svoje žene, osim zbog njezina bluda—pa se oženi drugom, čini preljub.”19:9 U nekim rukopisima još stoji: I onaj tko se oženi razvedenicom, čini preljub.

10Nato će Isusovi učenici: “Ako je između muža i žene tako, onda je bolje ne ženiti se!”

11“Ne mogu to razumjeti svi, nego samo oni kojima je dano”, reče im Isus. 12“Ima ljudi koji su od rođenja nesposobni za ženidbu, ima ih koje su ljudi za to onesposobili, a neki se dragovoljno odriču ženidbe zaradi nebeskoga kraljevstva. Tko može shvatiti, neka shvati!”

Isus blagoslivlja djecu

(Mk 10:13-16; Lk 18:15-17)

13Tada mu dovodili djecu da na njih stavi ruke i da se pomoli. Učenici su im to priječili. 14Isus im nato reče: “Pustite dječicu k meni i ne tjerajte ih jer takvima pripada nebesko kraljevstvo!” 15Položi na njih ruke, a zatim ode odande.

Isus i bogataš

(Mk 10:17-31; Lk 18:18-30)

16Priđe mu neki čovjek i upita: “Učitelju, koje dobro moram činiti da bih zadobio vječni život?”

17Isus mu reče: “Zašto me pitaš o dobrome? Samo je jedan dobar—Bog! Ali ako želiš ući u život, ispunjaj zapovijedi!”

18“Koje?” upita on.

Isus odgovori: “Ne ubij”, “Ne čini preljub”, “Ne ukradi”, “Ne svjedoči lažno”, 19“Poštuj oca i majku i ljubi bližnjega svoga kao samoga sebe!”19:18-19 Izlazak 20:12-16; Levitski zakonik 19:18; Ponovljeni zakon 5:16-20.

20“Sve sam to činio”, reče mu mladić. “Što mi još nedostaje?”

21“Želiš li biti savršenim,” odgovori Isus, “idi i prodaj sve što imaš, a novac razdijeli siromasima pa ćeš imati blago na nebu. Onda dođi i slijedi me!” 22Kad je mladić to čuo, se ražalosti i ode jer je imao veliki imetak.

23Isus nato reče učenicima: “Zaista vam kažem, teško je bogatašu ući u nebesko kraljevstvo! 24I opet vam kažem: Lakše bi devi bilo provući se kroz iglenu ušicu nego bogatašu ući u Božje kraljevstvo!”

25Učenici se zaprepaste. “Pa tko se onda uopće može spasiti?” pitali su.

26Isus ih pozorno pogleda pa reče: “Ljudima je to potpuno nemoguće, ali ne i Bogu. Ali Bogu je sve moguće!”

27Tada mu Petar reče: “Evo, mi smo sve ostavili da te slijedimo. Što ćemo za to dobiti?”

28Isus odgovori: “Zaista vam kažem, kada ja, Sin Čovječji, sjednem o obnovi svijeta na svoje slavno prijestolje, vi ćete sjesti na dvanaest prijestolja i suditi dvanaest Izraelovih plemena. 29A svatko tko zaradi mene ostavi kuću, ili braću, ili sestre, ili oca, ili majku, ili ženu, ili djecu, ili njive, primit će stostruko i baštiniti vječni život. 30Ali mnogi koji su sada prvi tada će biti na zadnjemu mjestu, a mnogi koje ovdje smatraju zadnjima ondje će biti najveći.”

Het Boek

Mattheüs 19:1-30

Jezus over echtscheiding

1Hierna vertrok Jezus uit Galilea. Hij stak de Jordaan over en kwam in Judea. 2Talloze mensen volgden Hem en vele werden door Hem genezen. 3Er kwamen enkele Farizeeën naar Hem toe. Zij wilden proberen Hem op zijn woorden te vangen. ‘Mag een man zomaar van zijn vrouw scheiden?’ vroegen zij. 4‘Leest u de boeken van Mozes dan niet?’ antwoordde Hij. ‘Daar staat toch in dat God de mens heeft gemaakt als man en vrouw. 5Een man zal zijn vader en moeder verlaten, zich bij zijn vrouw voegen en werkelijk één met haar worden. 6Zij zijn niet langer twee, maar één. En geen mens mag scheiden wat God heeft samengebracht.’ 7Zij vroegen daarop: ‘Maar waarom heeft Mozes dan gezegd dat een man van zijn vrouw mag scheiden? Als hij haar maar een brief geeft waarin staat dat zij niet langer zijn vrouw is.’ 8‘Omdat uw hart van steen is,’ antwoordde Jezus. ‘Daarom heeft Mozes dat toegestaan. Maar het is niet Gods oorspronkelijke plan. 9Luister goed, Ik zeg u: iemand die zijn vrouw verlaat en daarna opnieuw trouwt, pleegt overspel. Tenzij zijn eerste vrouw gemeenschap met een andere man heeft gehad.’ 10Jezusʼ leerlingen zeiden: ‘Als de verhoudingen tussen man en vrouw zo liggen, kun je beter niet trouwen.’ 11‘Niet iedereen zal begrijpen wat Ik nu ga zeggen,’ zei Jezus. ‘Het is alleen voor de mensen die God het inzicht geeft. 12Sommige mensen kunnen niet trouwen, omdat zij nu eenmaal zo geboren zijn. Anderen kunnen niet trouwen, omdat zij door mensen ongeschikt voor het huwelijk zijn gemaakt. Weer anderen trouwen niet, omdat zij daar ter wille van het Koninkrijk van de hemelen van afzien. Laat ieder die het begrijpt, dit aannemen.’

Jezus zegent de kinderen

13De mensen brachten hun kinderen bij Jezus. Zij wilden graag dat Hij zijn handen op hen zou leggen en voor hen zou bidden. Maar de leerlingen zeiden dat zij Hem niet mochten lastigvallen. 14‘Laat die kinderen toch bij Mij komen,’ zei Jezus. ‘Houd ze niet tegen. Want het Koninkrijk van de hemelen is bestemd voor wie is zoals zij.’ 15Hij legde zijn handen op hun hoofd en zegende hen voordat Hij verderging.

De rijke jongeman

16Er kwam een jongeman bij Hem met de vraag: ‘Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te krijgen?’ 17‘Waarom komt u met een vraag over het goede bij Mij?’ vroeg Jezus. ‘Alleen God is goed, en als u het eeuwige leven wilt binnengaan, moet u zich houden aan zijn geboden.’ 18‘Welke geboden?’ vroeg hij. Jezus antwoordde: ‘U mag niemand doodslaan. U mag geen overspel plegen. U mag niet stelen. U mag anderen niet vals beschuldigen. 19Heb eerbied voor uw vader en moeder. Heb uw naaste net zo lief als uzelf.’ 20‘Maar daar heb ik mij altijd aan gehouden. Wat moet ik dan nog meer doen?’ vroeg de jonge man. 21‘Als u volmaakt wilt zijn, ga dan naar huis en verkoop alles wat u hebt. Geef uw geld aan de armen en u zult rijk zijn in de hemel. Kom dan terug om Mij te volgen.’ 22Toen de jongeman dit hoorde, werd hij heel verdrietig en ging weg, want hij was erg rijk. 23Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Voor een rijke is het bijna onmogelijk om in het Koninkrijk van de hemelen te komen. 24Je kunt zeggen dat het voor een kameel gemakkelijker is om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het Koninkrijk van God binnen te gaan!’ 25Door die opmerking raakten de leerlingen erg in de war. ‘Wie kan dan gered worden?’ vroegen zij.

26Jezus keek hen ernstig aan en zei: ‘Menselijk gesproken, niemand. Maar bij God is alles mogelijk.’ 27Petrus merkte op: ‘Wij hebben alles verlaten om U te volgen. Hoe staat het dan met ons?’ 28Jezus antwoordde: ‘Luister, wanneer Ik, de Mensenzoon, eenmaal op mijn schitterende troon zal zitten, zullen ook jullie op twaalf tronen zitten om recht te spreken over de twaalf stammen van Israël. 29Ieder die zijn huis, broers, zusters, vader, moeder, kinderen of bezittingen opgeeft om Mij te volgen, zal honderdmaal zoveel terugkrijgen. En bovendien krijgt hij het eeuwige leven. 30Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten.’