La Bible du Semeur

Marc 13:1-37

De la destruction de Jérusalem à la venue du Fils de l’homme

(Mt 24.1-3 ; Lc 21.5-7)

1Comme Jésus sortait du Temple, un de ses disciples lui dit : Regarde, Maître, quelles belles pierres ! Quel édifice magnifique !

2Jésus lui répondit : Oui, regarde bien ces grandes constructions : il ne restera pas une pierre sur une autre, tout sera démoli.

3Puis il alla s’asseoir sur les pentes du mont des Oliviers, en face du Temple.

Pierre, Jacques, Jean et André le prirent à part et lui demandèrent : 4Dis-nous : quand cela se produira-t-il et à quel signe reconnaîtra-t-on que tous ces événements seront près de s’accomplir13.4 Autre traduction : quel signe annoncera la fin de toutes choses ? ?

(Mt 24.4-14 ; Lc 21.8-19)

5Là-dessus, Jésus leur dit : Faites attention que personne ne vous induise en erreur. 6Plusieurs viendront sous mon nom en disant : « C’est moi le Messie ! », et ils tromperont beaucoup de gens.

7Quand vous entendrez parler de guerres et de menaces de guerres, ne vous laissez pas troubler, car cela doit arriver, mais ce ne sera pas encore la fin. 8En effet, on verra se dresser une nation contre une nation, un royaume contre un autre13.8 Voir Es 19.2., il y aura en divers lieux des tremblements de terre et des famines, mais ce ne seront que les premières douleurs de l’enfantement.

9Quant à vous, faites attention à vous-mêmes : on vous traduira devant les tribunaux des Juifs, on vous fouettera dans les synagogues, vous comparaîtrez devant des gouverneurs et des rois à cause de moi, pour leur apporter un témoignage. 10Il faut, avant tout, que la Bonne Nouvelle de l’Evangile soit annoncée à tous les peuples. 11Quand on vous emmènera pour vous traduire devant les autorités, ne vous inquiétez pas à l’avance de ce que vous direz, mais dites simplement ce qui vous sera donné au moment même : car ce n’est pas vous qui parlerez, mais l’Esprit Saint. 12Le frère livrera son propre frère pour le faire condamner à mort, et le père livrera son enfant. Des enfants se dresseront contre leurs parents et les feront mettre à mort. 13Tout le monde vous haïra à cause de moi. Mais celui qui tiendra bon jusqu’au bout sera sauvé.

(Mt 24.15-31 ; Lc 21.20-28 ; 17.23-24)

14Quand vous verrez l’abominable profanation13.14 Dn 9.27 ; 11.31 ; 12.11. établie dans le lieu où elle ne doit pas être – que celui qui lit comprenne ! – alors, que ceux qui sont en Judée s’enfuient dans les montagnes. 15Si quelqu’un est sur son toit en terrasse, qu’il ne rentre pas à l’intérieur de sa maison pour emporter quelque bien qui s’y trouve. 16Que celui qui sera dans les champs ne retourne pas chez lui pour aller chercher son manteau. 17Malheur, en ces jours-là, aux femmes enceintes et à celles qui allaitent ! 18Priez pour que cela n’arrive pas en hiver, 19car ce seront des jours de détresse comme on n’en a pas connus depuis que Dieu a créé le monde13.19 Dn 12.1. et comme jamais plus on n’en verra de semblables.

20Vraiment, si le Seigneur n’avait pas décidé de réduire le nombre de ces jours, personne n’en réchapperait ; mais, à cause de ceux qu’il a choisis, il abrégera ce temps.

21Si quelqu’un vous dit alors : « Voyez, le Messie est ici ! » ou : « Il est là ! » ne le croyez pas. 22De faux messies surgiront, ainsi que de faux prophètes. Ils produiront des signes miraculeux et des prodiges au point de tromper, si c’était possible, ceux que Dieu a choisis. 23Vous donc, faites attention, je vous ai prévenus !

24Cependant, en ces jours-là, après ce temps de détresse,

le soleil s’obscurcira,

la lune perdra sa clarté,

25les étoiles tomberont du ciel ;

les puissances célestes |seront ébranlées13.25 Es 13.10 ; 34.4..

(Mt 24.32-36 ; Lc 21.29-33)

26Alors on verra le Fils de l’homme venir sur les nuées13.26 Dn 7.13. avec beaucoup de puissance et de gloire. 27Il enverra ses anges rassembler ses élus des quatre coins du monde, d’un bout à l’autre de l’univers.

28Que l’exemple du figuier vous serve d’enseignement : quand ses rameaux deviennent tendres et que ses feuilles poussent, vous savez que l’été est proche. 29De même, quand vous verrez se produire ces événements, sachez que le Fils de l’homme est proche, comme aux portes de la ville. 30Vraiment, je vous assure que cette génération-ci ne passera pas jusqu’à ce que tout cela vienne à se réaliser. 31Le ciel et la terre passeront, mais mes paroles ne passeront jamais. 32Quant au jour ou à l’heure, personne ne sait quand cela se produira, ni les anges du ciel, ni même le Fils ; seul, le Père le sait.

(Mt 24.42)

33Soyez vigilants, restez sur vos gardes, puisque vous ne savez pas quand viendra le moment.

34Les choses se passeront comme lorsqu’un homme quitte sa maison pour un long voyage et en laisse la responsabilité à ses serviteurs, en confiant à chacun sa tâche. Il commande au portier de veiller. 35Tenez-vous donc vous aussi en éveil ! Car vous ne savez pas quand le maître de la maison doit revenir : sera-ce tard ? à minuit ? au chant du coq ? ou le matin ? 36Qu’il ne vous trouve pas en train de dormir s’il revient à l’improviste ! 37Ce que je dis là, je vous le dis à tous : Tenez-vous en éveil !

Het Boek

Marcus 13:1-37

Jezus over de eindtijd

1Toen Jezus de tempel verliet, zei een van zijn leerlingen tegen Hem: ‘Kijk eens, Meester! Wat een grote stenen en wat een prachtige gebouwen!’ 2Jezus antwoordde: ‘Die grote gebouwen? Zij zullen met de grond gelijk worden gemaakt, er zal geen steen op de andere blijven.’

3Hij ging tegenover de tempel op de helling van de Olijfberg zitten. Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas kwamen met zʼn vieren bij Hem en vroegen: 4‘Wanneer zal gebeuren wat U daarnet over de tempel hebt gezegd? En hoe kunnen wij weten dat het zover is?’ 5‘Ik waarschuw jullie,’ zei Jezus. ‘Laat je door niemand van de wijs brengen. 6Want er zullen verscheidene mensen komen die zeggen dat zij de Christus zijn. En zij zullen veel mensen misleiden. 7Laat je niet in de war brengen door oorlogen en berichten over oorlog. Het staat vast dat die zullen komen, maar je mag er niet uit opmaken dat het einde er dan al is. 8Want over de hele wereld zullen de volken tegen elkaar worden opgehitst om oorlog te voeren. Er zullen aardbevingen en hongersnoden zijn. Nu hier, dan weer daar. Maar dat is allemaal nog slechts het begin van de ellende. 9En wat jullie zelf betreft, wees op je hoede! Omdat jullie bij Mij horen, zul je voor de rechtbank worden gesleept. In de synagogen zul je harde klappen krijgen. Jullie zullen zelfs voor bestuurders en koningen moeten verschijnen. Dat zijn allemaal kansen om over Mij te vertellen. 10Want voordat het einde komt, moeten eerst alle volken van de wereld het goede nieuws van God horen. 11Maar als je voor de rechtbank wordt gebracht, maak je dan geen zorgen over wat je moet zeggen. Zeg wat je op dat moment wordt ingegeven. Je hoeft zelf niet te spreken. De Heilige Geest zal het doen.

12Er zullen mensen zijn die hun broer de dood injagen door hem te verraden. Vaders zullen hetzelfde doen met hun kinderen. En kinderen zullen tegen hun ouders in opstand komen en hen vermoorden. 13Iedereen zal jullie haten, omdat je bij Mij hoort. Maar wie Mij trouw blijft tot het allerlaatst, zal gered worden. 14Wanneer je “de ontzettende gruwel” ziet staan waar hij niet hoort—wie dit leest, moet dit proberen te begrijpen—en je bent in Judea, vlucht dan naar de bergen. 15Als je op dat moment op het platte dak van je huis zit, ga dan niet naar binnen om nog iets mee te nemen. Vlucht! 16Als je op het veld bent, ga niet naar huis om wat kleren te halen. Vlucht! 17Het zal een afschuwelijke tijd worden voor vrouwen die in verwachting zijn of een baby hebben. 18Bid dat het niet in de winter gebeurt. 19Want er zal een verdrukking zijn zoals er nog nooit geweest is sinds God de wereld maakte en zoals er ook nooit weer zal komen. 20En als God die tijd niet had verkort, zou geen mens het er levend afbrengen. Maar ter wille van de mensen die Hij heeft uitgekozen, heeft Hij besloten die tijd te verkorten. 21Als iemand je komt vertellen dat de Christus hier is of daar, geloof het niet. 22Want er zullen valse christussen en valse profeten komen. Zij zullen grote, wonderlijke dingen doen om daarmee de mensen die bij God horen, op het verkeerde spoor te brengen als dat mogelijk was. 23Ik zeg het van tevoren. Jullie zijn gewaarschuwd.

24Na die dagen van verdrukking en ellende zal de zon worden verduisterd en de maan niet meer schijnen. 25De sterren zullen van de hemel vallen en de machten van het heelal zullen door elkaar worden geschud. 26Dan zal iedereen Mij, de Mensenzoon, zien komen in de wolken, met grote macht en majesteit. 27Ik zal de engelen er-op uit-sturen om de mensen die Ik heb uitgekozen, bijeen te brengen. Van het oosten, het westen, het noorden en het zuiden, ja, vanuit de verste uithoeken van de wereld. 28Leer van de vijgenboom deze les. Wanneer er knoppen en blaadjes aan komen, weet je dat het gauw zomer wordt. 29Zo is het ook met de komst van de nieuwe wereld. Als je ziet gebeuren wat Ik zojuist heb gezegd, weet je dat het niet lang meer duurt, dat het vlakbij is. 30Ik verzeker jullie: al deze dingen zullen gebeuren, nog voordat deze generatie voorbij is. 31De hemel en de aarde zullen verdwijnen, maar mijn woorden zeker niet. 32Maar wanneer, op welke dag en welk uur deze dingen zullen gebeuren, weet niemand. De engelen niet en zelfs Ik niet. Dat weet alleen de Vader.

33Wees dus op je hoede en houd je ogen open! Want je weet niet op welk moment Ik terugkom! 34Je kunt het vergelijken met iemand die naar een ander land gaat en zijn knechten op zijn huis laat passen. Ieder van hen krijgt een taak. De portier moet op de uitkijk blijven staan. 35Kijk dus altijd naar Mij uit, want jullie weten niet wanneer Ik kom. Het kan ʼs avonds zijn of midden in de nacht, tegen de morgen of als de zon al op is. 36Pas ervoor op dat je niet slaapt als Ik plotseling kom. 37Wat Ik tegen jullie zeg, zeg Ik tegen iedereen: blijf wakker! Kijk altijd naar Mij uit!’