La Bible du Semeur

Juges 13:1-25

La naissance de Samson

1Les Israélites recommencèrent à faire ce que l’Eternel considère comme mal, et l’Eternel les livra au pouvoir des Philistins pendant quarante ans.

2A Tsorea13.2 Tsorea, à une vingtaine de kilomètres à l’ouest de Jérusalem, fut d’abord attribuée à la tribu de Juda (Jos 15.33), puis à celle de Dan (Jos 19.41). C’est de là que les Danites émigrèrent vers le nord (Jos 18.2, 8, 11). La ville revint alors à Juda. vivait un homme de la tribu de Dan appelé Manoah. Sa femme était stérile et n’avait jamais pu avoir d’enfant. 3Un jour, l’ange de l’Eternel apparut à cette femme et lui dit : Tu es stérile et tu n’as jamais eu d’enfant. Pourtant, tu vas être enceinte et tu donneras le jour à un fils. 4A partir de maintenant, prends bien garde de ne boire ni vin, ni autre boisson alcoolisée et de ne rien manger qui soit rituellement impur. 5Car tu vas être enceinte et tu mettras au monde un fils. Ce garçon sera consacré à Dieu dès le sein maternel : jamais il ne devra se couper les cheveux ou la barbe. C’est lui qui commencera à délivrer Israël des Philistins.

6La femme rentra chez elle et dit à son mari : Un homme de Dieu m’a abordée, son aspect était comme celui d’un ange de Dieu ; il était terrifiant. Je ne lui ai pas demandé d’où il venait, et il ne m’a pas dit son nom. 7Mais il m’a annoncé que je vais être enceinte et que je mettrai un fils au monde. Il m’a dit de ne boire ni vin, ni boisson alcoolisée et de ne rien manger d’impur, car l’enfant sera consacré à Dieu dès le sein maternel et jusqu’à sa mort.

8Alors Manoah adressa cette prière à l’Eternel : Je te prie, Seigneur, fais revenir vers nous l’homme de Dieu que tu as déjà envoyé, pour qu’il nous apprenne ce que nous aurons à faire à l’égard de l’enfant à naître.

9Dieu exauça la prière de Manoah. L’ange de Dieu revint se présenter à la femme pendant qu’elle était assise dans un champ. Manoah n’était pas avec elle. 10Elle courut aussitôt le lui annoncer : L’homme qui est venu l’autre jour se présenter à moi, m’est de nouveau apparu.

11Immédiatement, Manoah se leva et suivit sa femme. Il se rendit auprès de l’homme, et lui demanda : Est-ce toi qui as parlé à cette femme ?

– Oui, c’est moi, lui répondit-il.

12Et Manoah lui dit : Maintenant, quand tes paroles se réaliseront, quelles règles devra-t-on suivre à l’égard de ce garçon, et que devra-t-il faire ?

13L’ange de l’Eternel lui répondit : Ta femme devra s’abstenir de tout ce que je lui ai mentionné. 14Elle ne mangera aucun fruit de la vigne, ne boira ni vin, ni boisson alcoolisée et ne prendra aucune nourriture qui soit rituellement impure. Qu’elle observe soigneusement tout ce que je lui ai ordonné.

15Alors Manoah dit à l’ange de l’Eternel : Permets-nous de te retenir et de te présenter un chevreau.

16L’ange lui répondit : Même si tu me retiens, je ne mangerai pas la nourriture que tu me présenteras ; mais si tu le veux, offre un holocauste à l’Eternel.

Manoah ne savait pas que c’était l’ange de l’Eternel. 17Il demanda à l’ange : Quel est ton nom ? Ainsi, quand ce que tu as annoncé se réalisera, nous pourrons t’honorer.

18L’ange de l’Eternel répliqua : Pourquoi demandes-tu mon nom ? Il est merveilleux.

19Alors Manoah prit un chevreau et l’offrande de céréales qui doit accompagner l’holocauste et il les offrit à l’Eternel sur le rocher. Pendant que Manoah et sa femme regardaient, il se produisit une chose merveilleuse : 20lorsque la flamme monta de l’autel vers le ciel, l’ange de l’Eternel s’éleva au milieu de la flamme sous leurs yeux. Alors ils se jetèrent la face contre terre. 21L’ange de l’Eternel n’apparut plus à Manoah et à sa femme. Manoah comprit que c’était l’ange de l’Eternel qui leur était apparu, 22et il dit à sa femme : Nous allons sûrement mourir, car nous avons vu Dieu !

23Mais sa femme lui dit : Si l’Eternel avait voulu nous faire mourir, il n’aurait pas accepté notre holocauste et notre offrande, il ne nous aurait pas fait voir toutes ces choses, et il ne nous aurait pas annoncé aujourd’hui tout ce qu’il nous a communiqué.

24La femme donna naissance à un fils et elle l’appela Samson. L’enfant grandit et l’Eternel le bénit. 25L’Esprit de l’Eternel commença à le pousser à l’action lorsqu’il était à Mahané-Dan entre Tsorea et Eshtaol.

Het Boek

Richteren 13:1-25

Simson, de Nazireeër

1En weer zondigden de Israëlieten tegen de Here door afgoden te aanbidden. Daarom liet de Here toe dat zij veertig jaar lang door de Filistijnen werden onderdrukt.

2-3 Op een dag verscheen de Engel van de Here aan de vrouw van Manoach van de stam Dan, zij woonde in de stad Sora. De Engel zei tegen deze vrouw, die geen kinderen had: ‘U bent lang onvruchtbaar geweest, maar nu zult u in verwachting raken en een zoon krijgen. 4Denk erom dat u geen wijn of sterkedrank drinkt en dat u niets eet dat onrein is. 5Het haar van uw zoon mag nooit worden geknipt, want hij zal vanaf zijn geboorte een Nazireeër, een speciale dienaar van God zijn. Hij zal de aanzet geven tot de bevrijding van Israël uit de macht van de Filistijnen.’

6De vrouw haastte zich naar haar man om het hem te vertellen. ‘Er is een Man van God bij mij geweest,’ zei ze. ‘Ik denk dat het de Engel van God was, want Hij zag er zeer indrukwekkend uit. Ik heb niet gevraagd waar Hij vandaan kwam en Hij heeft mij zijn naam niet gezegd. 7Hij zei tegen mij: “U zult een zoon krijgen!” En Hij zei ook dat ik geen wijn of sterkedrank mocht drinken en niets mocht eten dat niet rein was. Want de baby zal een Nazireeër zijn, hij zal aan God zijn gewijd vanaf het moment van zijn geboorte tot de dag waarop hij sterft!’ 8Toen bad Manoach: ‘Och Here, laat alstublieft die Man van God nog eens terugkomen om ons te vertellen wat we moeten doen met het kind dat zal worden geboren.’ 9God verhoorde het gebed en de Engel van God kwam opnieuw bij de vrouw, toen ze in het veld was. Maar ze was weer alleen, Manoach was niet bij haar, 10daarom rende ze vlug naar haar man en zei: ‘Diezelfde Man is er weer!’ 11Manoach ging meteen met haar mee en vroeg, toen ze bij de Man waren gekomen: ‘Bent u de Man die onlangs met mijn vrouw heeft gesproken?’ ‘Ja, dat ben Ik,’ antwoordde Hij. 12Toen vroeg Manoach Hem: ‘Kunt u ons nog meer vertellen over hoe we de jongen moeten opvoeden wanneer hij eenmaal is geboren?’ 13De Engel van de Here antwoordde: ‘Zorg ervoor dat uw vrouw zich houdt aan wat Ik haar heb gezegd. 14Zij mag niets eten van de wijnstok—dus geen druiven of rozijnen—en geen wijn of sterkedrank drinken of iets eten dat onrein is. Zij moet zich stipt houden aan wat Ik haar heb geboden.’ 15Toen zei Manoach tegen de Engel van de Here: ‘Blijf alstublieft nog even hier, dan zullen wij iets te eten voor U halen.’ 16‘Ik wil wel blijven,’ antwoordde de Engel van de Here, ‘maar zal niets eten. Maar als u toch iets wilt geven, breng het dan als brandoffer aan de Here.’ (Manoach besefte immers nog niet dat het de Engel van de Here was.) 17Toen vroeg Manoach Hem hoe Hij heette. ‘Want als dit allemaal uitkomt en de baby is geboren,’ zei hij, ‘dan willen we iedereen vertellen dat U het hebt voorspeld!’ 18‘Waarom wilt u mijn naam weten?’ antwoordde de Engel, ‘die is onuitsprekelijk.’

19Toen offerde Manoach op een rotsblok een geitenbokje en een spijsoffer aan de Here. En terwijl Manoach en zijn vrouw toekeken, gebeurde er een wonder. 20Toen het vuur op het altaar hoog oplaaide, steeg de Engel—voor de ogen van Manoach en zijn vrouw—in het vuur omhoog! Manoach en zijn vrouw wierpen zich plat op de grond. 21Dat was het laatste dat ze ooit van Hem zagen. Manoach was de eerste die besefte dat het de Engel van de Here was geweest. 22‘Wij zullen sterven,’ riep hij tegen zijn vrouw, ‘want we hebben God gezien!’ 23Maar zijn vrouw zei: ‘Als de Here ons had willen doden, zou Hij ons brandoffer en ons spijsoffer niet hebben geaccepteerd en niet aan ons zijn verschenen of ons deze geweldige belofte hebben gegeven en deze wonderen hebben gedaan.’

24Toen hun zoon werd geboren, noemden zij hem Simson. De jongen groeide op onder de zegen van de Here. 25En de Geest van de Here leidde hem steeds weer naar het legerkamp van Dan tussen de steden Sora en Estaol.