La Bible du Semeur

Joël 3:1-5

Le jour de l’Eternel à la fin des temps

L’effusion de l’Esprit

1Après cela, |moi, je répandrai mon Esprit |sur tout le monde.

Vos fils, vos filles prophétiseront.

Vos vieillards, par des songes,

vos jeunes gens, par des visions, |recevront des révélations3.1 Les v. 1-5 sont cités en Ac 2.16-21. Pour l’effusion de l’Esprit, voir Es 32.15 ; 44.3 ; Jr 31.33-34 ; Ez 36.26-27 ; 39.29 ; Za 12.10-13..

2Et même sur les serviteurs, |sur les servantes,

moi, je répandrai mon Esprit |en ces jours-là.

3Je produirai |des signes prodigieux

dans le ciel, sur la terre :

du sang, du feu |et des colonnes de fumée.

4Et le soleil s’obscurcira,

la lune deviendra de sang

avant que vienne |le jour de l’Eternel,

ce jour grand et terrible.

5Alors tous ceux |qui invoqueront l’Eternel |seront sauvés3.5 Voir Dn 12.1. Cité en Rm 10.13. :

selon ce qu’a dit l’Eternel3.5 selon ce qu’a dit l’Eternel : voir Ab 17 ; Es 37.32.,

il y aura, |des rescapés

sur le mont de Sion |et à Jérusalem3.5 il y aura … Jérusalem. Sens obtenu en adoptant une légère modification du texte hébreu traditionnel et d’après Ab 17 ; Es 37.32. Le texte hébreu traditionnel a : sur le mont Sion, et dans Jérusalem, il y aura des rescapés, selon ce qu’a dit l’Eternel, et parmi les survivants que l’Eternel appellera (la fin du verset n’est pas compréhensible). Au lieu de des rescapés, certains traduisent la délivrance.,

les survivants |que l’Eternel appellera3.5 Réminiscence en Ac 2.39..

Het Boek

Joël 3:1-21

Het proces tegen de volken

1‘In die tijd, wanneer Ik het lot van Juda en Jeruzalem verander,’ zegt de Here, 2‘zal Ik alle volken van de wereld verzamelen in het “Dal waar de Here oordeelt”. Ik zal daar een proces tegen hen aanspannen, omdat zij mijn volk kwaad hebben gedaan en mijn erfenis, Israël, over de hele wereld hebben verstrooid en mijn land onder elkaar hebben verdeeld. 3Zij hebben een deel van mijn volk tot slaaf gemaakt en verhandelden een jongen voor een prostituee en een meisje voor genoeg wijn om dronken van te worden.

4Probeer niet tussenbeide te komen, Tyrus en Sidon! Willen jullie wraak op Mij nemen, steden van de Filistijnen? Pas op of Ik zal snel terugslaan en de wraak op jullie eigen hoofden laten neerkomen! 5Mijn zilver en goud en andere kostbare schatten hebben jullie weggenomen en naar de afgodentempels gebracht. 6Jullie hebben de inwoners van Juda en Jeruzalem verkocht aan de Grieken die hen meenamen, ver weg naar hun eigen land. 7Maar Ik zal hen weer terugbrengen uit al die plaatsen waarheen jullie hen hebben verkocht en Ik zal jullie je verdiende loon geven voor wat jullie hebben gedaan. 8Ik zal jullie zonen en dochters verkopen aan de mensen in Juda en zij zullen hen doorverkopen aan de Sabeeërs die ver weg wonen,’ zegt de Here.

9Kondig dit wijd en zijd aan: maak u klaar voor de oorlog! Laten de beste soldaten aantreden en mobiliseer het leger! 10Smelt uw ploegen en maak er zwaarden van. Van uw snoeimessen kunt u speren maken. Laten de zwakken dapper en sterk zijn. 11Maak u klaar en verzamel u, alle omringende volken. Ja, Here, laat nú uw dappere strijders daarheen afdalen. 12‘Laten alle volken zich verzamelen in het “Dal waar de Here oordeelt,” want daar zal Ik zitten om hen allemaal te vonnissen. 13Sla de sikkel er nu in, want het is tijd om te oogsten. Vooruit, trap de druiven plat in de perskuip, want hij is boordevol en stroomt zelfs over van de goddeloosheid van die mensen.’ 14Massaʼs mensen wachten in het dal op hun vonnis. Want de dag van de Here komt eraan in het Dal van het Oordeel. 15De zon en de maan zullen worden verduisterd en de sterren zullen verbleken.

16De Here brult uit Sion en laat zijn stem in Jeruzalem weerklinken zodat de hemel en de aarde beven. Maar voor zijn volk Israël zal de Here een toevluchtsoord zijn, een veilige vesting.

17‘Dan zult u eindelijk weten dat Ik, de Here, uw God ben en mijn woonplaats is gevestigd op Sion, mijn heilige berg. Jeruzalem zal heilige grond zijn waarover geen vreemde legers meer zullen trekken.

18Dan zal jonge wijn van de bergen druipen en melk van de heuvels vloeien. De droge beekbeddingen van Juda zullen weer boordevol water staan en er zal een bron ontspringen in de tempel van de Here om het dal van Sittim van water te voorzien. 19Egypte zal veranderen in een woestenij en Edom in een dorre wildernis vanwege het geweld dat zij de Judeeërs hebben aangedaan. Want in deze landen zijn onschuldige mensen vermoord. 20Maar Juda zal welvarend zijn tot in eeuwigheid en Jeruzalem zal een bloeiende stad zijn voor altijd. 21Ik zal de moorden op mijn volk wreken. Ik zal de onderdrukkers niet ongestraft laten gaan. Want mijn woonplaats is in Jeruzalem, bij mijn volk.’