La Bible du Semeur

Cantique des Cantiques 8

1Ah, que n’es-tu mon frère
allaité par ma mère!
Te rencontrant dehors, je pourrais t’embrasser
sans que l’on me méprise,
je pourrais t’emmener, je te ferais entrer au foyer de ma mère,
de celle qui m’a enseignée[a]
et je te ferais boire du bon vin parfumé
de mon jus de grenades.
Son bras gauche soutient ma tête,
et son bras droit m’enlace.
O filles de Jérusalem, oh, je vous en conjure,
n’éveillez pas, non, ne réveillez pas l’amour
avant qu’il ne le veuille[b]

Le chœur

«Qui donc est celle-ci qui monte du désert
s’appuyant sur son bien-aimé?»

L’amour: fort comme la mort

«C’est dessous le pommier que je t’ai réveillé,
à l’endroit où ta mère t’avait conçu,
oui, au lieu même où te conçut celle qui devait t’enfanter.
Mets-moi comme un sceau[c] sur ton cœur,
comme un sceau sur ton bras.
L’amour est fort comme la mort,
et la passion est inflexible comme le séjour des défunts.
Les flammes de l’amour sont des flammes ardentes,
une flamme venant de l’Eternel[d].
Même de grosses eaux ne peuvent éteindre l’amour,
et des fleuves puissants ne l’emporteront pas.
L’homme qui offrirait tous les biens qu’il possède pour acheter l’amour
n’obtiendrait que mépris.»

La petite sœur

«Nous avons une sœur,
elle est petite encore, sa poitrine n’est pas formée,
que ferons-nous pour notre sœur
lorsqu’il sera question de la marier?»

«Si elle est un rempart,
nous bâtirons sur elle des créneaux en argent.
Si elle est une porte,
nous, nous la bloquerons d’un madrier de cèdre.
10 Moi, je suis un rempart,
mes seins en sont les tours.
Aussi ai-je trouvé la paix, auprès de lui.»

La vigne de Salomon

11 «Salomon avait une vigne à Baal-Hamôn[e],
il la remit à des gardiens.
Pour en payer le fruit, chacun d’eux lui donnait un millier de pièces d’argent.
12 Ma vigne à moi est devant moi.
Toi, Salomon, tu peux avoir ton millier de pièces d’argent,
puis, deux cents pièces seront données à ceux qui ont gardé ses fruits.»

Fais-moi entendre ta voix

13 «Toi qui habites les jardins,
des compagnons prêtent l’oreille,
oh! fais-moi entendre ta voix!»

14 «Enfuis-toi vite, toi mon bien-aimé,
et sois pareil à la gazelle ou à un jeune faon,
sur les monts embaumés.»

Footnotes

  1. 8.2 Autre traduction: là, tu m’enseignerais.
  2. 8.4 Voir 2.7 et note; 3.5.
  3. 8.6 Le sceau imprimait le signe d’authenticité sur les actes officiels (il remplaçait notre signature). On le portait toujours avec soi, attaché à un cordon autour du cou (sur ton cœur) ou porté au doigt (sur ton bras).
  4. 8.6 Autre traduction: une flamme intense à l’extrême.
  5. 8.11 Baal-Hamôn : lieu non identifié; il s’agit peut-être d’un nom symbolique, signifiant: maître d’une multitude, et faisant allusion au harem de Salomon.

Het Boek

Hooglied 8

1Ach, was je maar een broer van mij, gezoogd door dezelfde moeder als ik. Als ik je dan buiten ontmoette, kon ik je zomaar kussen. Niemand zou dat vreemd vinden.
Dan kon ik je gewoon naar mijn moeders huis brengen, naar het huis van haar die mij alles leerde. Ik zou je heerlijke wijn aanbieden, jonge wijn van mijn granaatappels.
Mijn hoofd ligt op zijn linkerarm en met zijn rechterarm omarmt hij mij.
Meisjes van Jeruzalem, ik zeg het jullie met nadruk! Waarom willen jullie vooruit lopen op de liefde en haar overhaasten als de tijd daarvoor nog niet is aangebroken?

Wie komt daar uit de woestijn aanlopen, ondersteund door haar liefste?

Onder de appelboom heb ik je gewekt. Daar heeft je moeder je ontvangen, zij heeft jou gebaard.

Houd mij dicht tegen je aan, ik wil altijd in jouw armen blijven. Want de liefde is zo sterk als de dood. De hartstocht laat niet meer los, net zo min als het dodenrijk dat doet. Het vuur van de hartstocht brandt met hete vlammen, door de Here ontstoken.
Geen water kan die liefde doven, geen rivier kan de liefde wegspoelen. Zelfs als iemand al zijn bezittingen bood in ruil voor de liefde, zou hem dat niet baten. Met minachting zou hem de deur worden gewezen.

Wij hebben een klein zusje, zij heeft zelfs nog geen borsten. Wat moeten wij doen als op een dag iemand om haar komt?
Als zij zich in reinheid bewaart, zullen wij haar daarvoor prijzen. Maar als zij zich te gemakkelijk geeft, zullen wij dat verhinderen.
10 Ik heb mijzelf in reinheid bewaard tot nu toe. Nu ben ik voor hem degene die zich volkomen geven wil.

11 Salomo had in Baäl-Hamon een wijngaard. Hij liet die bewaken, omdat hij van grote waarde was.
12 Mijn wijngaard is voor mijzelf alleen. Al uw overvloed laat ik u, Salomo.

13 Mijn allerliefste, die in een lusthof woont, laat mij je stem horen. Mijn vrienden luisteren mee.

14 Mijn liefste, kom snel naar mij toe. Doe als de gazelle of als een jong hert op bergen vol heerlijk struikgewas.