Slovo na cestu

Jan 19

1Potom dal Pilát Ježíše zbičovat. Vojáci upletli z trní věnec, nasadili ho Ježíšovi na hlavu a hodili mu přes ramena rudý plášť. Obklopili Ježíše, bili ho a pokřikovali: „Ať žije židovský král!“

4-5 Pilát se pokusil obměkčit žalobce a přesvědčit je o Ježíšově nevině tím, že jim ho předvedl zmučeného a zesměšněného. Ukázal na něj a řekl: „Člověk.“

Velekněží a jejich stráž začali křičet: „Na kříž s ním, na kříž!“

„Ukřižujte si ho sami, pro mne je to nevinný člověk,“ řekl jim Pilát.

„Podle našeho zákona je vinen,“ odporovali Židé. „Vydává se za Božího Syna.“

Po tomto obvinění Pilátův neklid ještě více vzrostl. Vrátil se do soudní síně a zeptal se obžalovaného: „Co jsi vlastně zač?“ Ale Ježíš mlčel.

10 „Tak ty se mnou nemluvíš? Nevíš, že rozhoduji o tvém životě a smrti?“ řekl Pilát.

11 „Neměl bys nade mnou žádnou pravomoc, kdyby ti ji nedal Bůh,“ odpověděl Ježíš. „Ty porušuješ právo, ale moji žalobci na sebe berou větší vinu.“

12 To ovlivnilo Piláta, aby se ještě jednou pokusil Ježíše osvobodit. Židé však sáhli k hrubému nátlaku: „Jestliže ho propustíš, zpronevěříš se císaři. Kdo se vydává za krále, staví se proti císařskému majestátu.“

13 Když to Pilát slyšel, dal Ježíše vyvést na Dlážděné nádvoří a usedl do soudcovského křesla. 14 Chtěl už případ uzavřít, protože bylo před polednem a večer začínaly židovské velikonoční svátky. Pověděl Židům: „Tak co s tím vaším králem?“

15 Oni se dali do křiku: „Pryč s ním! Pryč s ním! Ukřižuj ho!“

Pilát ještě namítl: „Vašeho krále mám poslat na smrt?“

Velekněží prohlásili pokrytecky: „Nepotřebujeme krále! Máme přece římského císaře.“

Ježíš je veden k ukřižování

16 Pilát se vzdal a předal Ježíše popravčí četě, aby ho ukřižovali.

17 Tak naložili Ježíši na záda jeho vlastní kříž a vedli ho za město na pahorek zvaný „Lebka“, hebrejsky Golgota. 18 Tam ho ukřižovali a po obou stranách vztyčili kříže pro dva zločince.

19 Nad hlavou každého odsouzence bývalo napsáno, čím se provinil; na Ježíšův kříž dal Pilát napsat hebrejsky, latinsky a řecky: Ježíš Nazaretský, židovský král. 20 Popraviště bylo blízko města, takže ten nápis četlo mnoho lidí. 21 Velekněží protestovali u Piláta: „Nepiš, že je židovský král, ale že se za něj jenom vydával.“

22 Pilát je odbyl: „Co jsem napsal, to tam bude!“ 23 Popravčí četě podle práva náležely svršky odsouzenců. Ježíšův svrchní plášť – pruh plátěné látky – roztrhali na čtyři díly a podělili se o ně. Jeho nesešívaný spodní oděv, utkaný vcelku, nechtěli trhat, 24 ale řekli si: „Budeme losovat, kdo z nás ho dostane.“ Tím nevědomky uskutečnili prorockou předpověď:

„Rozdělili si můj plášť a losovali o můj oděv.“

25 U Ježíšova kříže stála jeho matka, její sestra, Marie Kleofášova a Marie Magdaléna. 26 Ježíš pohlédl na svou matku a na milovaného učedníka Jana, který stál vedle ní. Jí řekl: „On teď bude tvůj syn,“ 27 a jemu: „Přijmi ji jako svou matku.“ Od té chvíle se ten učedník o ni staral jako o vlastní.

Ježíš umírá na kříži

28 Ježíš věděl, že se blíží konec. Řekl: „Žízním.“

29 Vojáci namočili houbu do kyselého vína a na lodyze yzopu mu ji podali k ústům. Tím se také vyplnila prorocká předpověď. 30 Ježíš svlažil rty a řekl: „Je dokonáno.“ Hlava mu klesla a skonal.

31 Protože se blížila sobota a navíc začátek velkého svátku, nemohli Židé připustit, aby těla zůstala na křížích. Žádali Piláta, aby urychlil popravu a mrtvé dal sejmout. 32 Oběma zločincům vojáci přerazili nohy. 33 U Ježíše to bylo zbytečné, protože viděli, že je už mrtev. 34 Jeden z vojáků mu kopím otevřel bok, aby se přesvědčil, zda již doopravdy zemřel. Z rány vytékala sražená krev a čirá tekutina.

35 Popisuje to, kdo to viděl na vlastní oči. Můžete se na to spolehnout, je to pravda. 36 Opět se naplnila dvě proroctví Písma: „Ani kost mu nebude zlámána,“ 37 a „Uvidí, koho probodli.“

Ježíš je pohřben

38 Ježíšovo tělo si na Pilátovi vyžádal Josef z Arimatie. Byl to Ježíšův učedník, který se dosud bál veřejně se k němu přiznat. Pilát souhlasil a Josef Ježíšovo tělo sňal z kříže. 39 Pomáhal mu přitom Nikodém, který měl kdysi s Ježíšem noční rozhovor. Ten přinesl velké množství vonných látek.

40 Ježíšovo tělo s těmito vonnými věcmi zavinuli do plátna, jak to Židé dělávají při pohřbívání.

41 V zahradě nedaleko popraviště byla nová, dosud nepoužitá hrobka, vytesaná do skály. 42 Tam Ježíše uložili, protože do začátku soboty nezbývalo mnoho času.

Het Boek

Johannes 19

De kruisiging van Jezus

1Pilatus nam Jezus mee en liet Hem geselen. De soldaten maakten een krans van doornige takken en zetten die op zijn hoofd. Daarna deden zij Hem een rode mantel om en zeiden spottend: ‘Gegroet, koning van de Joden!’ Daarbij sloegen zij Hem in het gezicht. Pilatus ging weer naar de Joden toe en zei tegen hen: ‘Hier is Hij weer. Begrijp mij goed: volgens mij heeft Hij niets strafbaars gedaan.’

Jezus kwam achter hem aan naar buiten, met de doornenkroon op zijn hoofd en de rode mantel om. ‘Hier is Hij, de Mens,’ zei Pilatus. Zodra de leidende priesters en de bewakers Jezus zagen, begonnen zij te schreeuwen: ‘Kruisigen! Kruisigen!’ ‘Neemt u hem dan mee en kruisig hem zelf,’ antwoordde Pilatus. ‘Ik zeg dat Hij onschuldig is.’ De Joden antwoordden: ‘Volgens onze wetten moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelf de Zoon van God genoemd!’

Toen Pilatus dat hoorde, werd hij echt bang. Hij nam Jezus weer mee naar binnen en vroeg: ‘Waar komt U vandaan?’ Jezus gaf hem echter geen antwoord. 10 ‘Waarom geeft U mij geen antwoord?’ vroeg Pilatus. ‘Weet u niet dat ik de macht heb om U vrij te laten of te kruisigen?’ 11 ‘U zou geen macht over Mij hebben als God u die niet gegeven had,’ antwoordde Jezus. ‘De grootste schuld ligt bij hem die Mij aan u heeft overgeleverd.’ 12 Pilatus werd door die woorden diep getroffen en probeerde een manier te vinden om Jezus vrij te laten. Maar de Joden bleven schreeuwen: ‘Als u die man vrijlaat, bent u geen vriend van de keizer! Wie zichzelf tot koning uitroept, is een vijand van de keizer!’

13 Toen Pilatus dat hoorde, bracht hij Jezus opnieuw naar buiten en ging op de rechterstoel zitten. Die stoel stond op een stenen verhoging die in het Hebreeuws Gabbata heette. 14 Het was twaalf uur ʼs middags. Die avond zou de sabbat van de Paasweek beginnen. ‘Hier is jullie koning,’ zei Pilatus tegen de Joden. 15 ‘Weg met die man! Weg met Hem!’ schreeuwden zij. ‘Kruisig Hem!’ ‘Moet ik uw koning kruisigen?’ vroeg Pilatus. ‘Hij is onze koning niet!’ schreeuwden de priesters. ‘We hebben maar één koning en dat is de keizer!’ 16 Daarop gaf Pilatus Jezus aan hen over om gekruisigd te worden. Zij namen Jezus mee 17 en brachten Hem naar een plaats buiten de stad. Die plaats heette Schedelplaats of in het Hebreeuws Golgota. Jezus droeg Zelf zijn kruis.

18 Daar aangekomen sloegen zij Hem aan het kruis, samen met twee anderen, de een links en de ander rechts van Hem. 19 Er werd een bord aan het kruis bevestigd, waarop Pilatus in het Hebreeuws, Latijn en Grieks had laten schrijven: ‘Jezus van Nazareth, de Koning van de Joden.’ 20 En vele Joden lazen dat, want de plaats waar Jezus gekruisigd werd, lag niet ver buiten de stad. 21 De priesters zeiden tegen Pilatus: ‘U had niet moeten schrijven: “De koning van de Joden,” maar: “Hij heeft gezegd dat Hij de koning van de Joden is.” ’ 22 ‘Wat ik geschreven heb, blijft staan,’ antwoordde Pilatus.

23 De vier soldaten die Jezus aan het kruis hadden geslagen, verdeelden zijn kleren onder elkaar. Zijn onderkleed was naadloos geweven 24 en daarom zeiden zij tegen elkaar: ‘We moeten het niet in stukken scheuren, we gaan erom loten.’ Dat klopte met wat in de Boeken staat geschreven: ‘Zij hebben mijn kleren onder elkaar verdeeld, zij hebben om mijn kleding geloot.’

25 Jezusʼ moeder stond met haar zuster, Maria van Klopas en Maria van Magdala bij het kruis. 26 Jezus zag zijn moeder staan bij de leerling die zijn beste vriend was. ‘Kijk, hij is uw zoon,’ zei Hij tegen haar. 27 En tegen de leerling zei Hij: ‘Zij is uw moeder.’ Van toen af aan nam die leerling haar bij zich in huis.

28 Jezus wist dat alles wat gedaan moest worden, nu gedaan was en zei, zoals er geschreven staat: ‘Ik heb dorst.’ 29 Een van de soldaten doopte een spons in een kan met zure wijn. Hij stak die op een stok en hield hem bij Jezusʼ mond. 30 Toen Jezus wat van de wijn gedronken had, zei Hij: ‘Mijn taak is vervuld!’ Hij boog zijn hoofd en gaf de geest.

31 Die avond zou de sabbat beginnen. Daarom wilden de Joden niet dat de lichamen nog langer aan de kruisen zouden blijven hangen. Zij vroegen Pilatus hun benen te laten breken. Dan zouden zij eerder sterven en konden de lichamen vóór de sabbat van het kruis worden afgenomen, want dat was erg belangrijk. 32 Daarop braken de soldaten eerst de benen van de twee mannen die gelijk met Jezus waren gekruisigd. 33 Maar toen zij bij Jezus kwamen, zagen zij dat Hij al gestorven was. Daarom braken zij zijn benen niet. 34 Wel stak een van de soldaten zijn speer in Jezusʼ zij. Meteen kwam er bloed en water uit. 35 Johannes heeft dit met eigen ogen gezien en zijn verklaring is betrouwbaar. Hij weet dat hij de waarheid spreekt en wil dat ook u gelooft. 36 Wat er met Jezus gebeurde, klopt met wat er geschreven staat: ‘Geen van zijn botten zal gebroken worden.’ 37 En ergens anders staat: ‘Zij zullen kijken naar Hem die zij hebben doorstoken.’

38 Na deze gebeurtenissen vroeg Jozef van Arimathea aan Pilatus of hij Jezusʼ lichaam mocht wegnemen. Pilatus vond het goed. Deze Jozef was een leerling van Jezus. Maar hij had er niet voor durven uitkomen, omdat hij bang was voor de Joden. Daarop haalde hij Jezusʼ lichaam van het kruis af. 39 Nikodemus, die op een nacht met Jezus was komen praten, ging met hem mee. Hij had ruim dertig kilo balsemkruiden bij zich, een mengsel van mirre en aloë.

40 De twee mannen wikkelden Jezusʼ lichaam met de geurige kruiden in linnen doeken, want dat is bij de Joden de gewoonte als ze iemand gaan begraven. 41 Niet ver van de plaats waar Jezus gekruisigd was, lag een tuin. In die tuin was een nieuw graf waarin nog nooit een dode had gelegen. 42 Omdat de zon bijna onderging en dan de sabbat zou beginnen, legden zij Jezus in dat graf.