O Livro

2 Crônicas 1

Salomão pede sabedoria

1Salomão, filho do rei David, era agora o incontestado governante de Israel, porque o Senhor seu Deus tinha feito dele um poderoso monarca.

2/6 Decidiu pois, o rei, convocar todos os oficiais do exército mais os juízes para Gibeão; também chamou todos os chefes políticos e religiosos de Israel. Levou-os ao cimo da colina até ao velho tabernáculo construído por Moisés, o homem ao serviço de Deus, no tempo em que tinham andado pelo deserto. (Foi só muito mais tarde que o rei David mandou construir outro tabernáculo em Jerusalém para a arca de Deus, quando a mandou vir de Quiriate-Jearim.) Também o altar de cobre, feito por Bezaleel (filho de Uri e neto de Hur), ainda ali se encontrava defronte do velho tabernáculo. Salomão, mais aqueles que ele convocara, reuniram-se todos diante dele, enquanto foram sacrificados mil holocaustos oferecidos ao Senhor.

Nessa noite Deus apareceu a Salomão e disse-lhe: “Pede-me o que quiseres e dar-to-ei!”

8/10 Salomão respondeu: “Ó Deus, tu foste extremamente bondoso para com o meu pai David, e agora deste-me o reino. Só pretendo que as tuas promessas se confirmem! A tua palavra, dirigida a David meu pai, concretizou-se, e fizeste-me rei sobre um povo tão numeroso como o pó da terra! Dá-me agora sabedoria e conhecimento para os governar com competência. Porque quem seria capaz de dirigir sozinho uma tão grande nação como esta?”

11/12 Deus retorqui-lhe: “Sendo assim, que o teu maior desejo é seres capaz de servir este povo, e que não pretendeste nem riquezas nem honras pessoais, nem me pediste que amaldiçoasse os teus inimigos, nem tão pouco que te desse uma longa vida; antes pediste sabedoria e conhecimento para guiar competentemente o meu povo — por isso te concedo o que pediste, e ainda te darei tantas riquezas, prosperidade e honras como nenhum outro rei terá tido antes de ti! Não haverá também depois de ti outro semelhante em toda a terra!”

13/17 Salomão deixou o tabernáculo, desceu a colina e voltou para Jerusalém para iniciar o seu mandato real sobre Israel. Organizou então uma enorme força militar de 1.400 carros de combate e recrutou 12.000 cavaleiros, para formarem uma guarda de protecção às cidades onde ficaram depositados os carros, ainda que alguns deles tivessem ficado também em Jerusalém mesmo, sob o controlo directo do rei. Durante o reinado de Salomão, a prata e o ouro eram tão abundantes em Jerusalém como as pedras das ruas; madeiras caras eram usadas tão correntemente como madeira de figueiras bravas! Salomão mandou ao Egipto especialistas no comércio de cavalos para comprarem manadas inteiras a preços especiais. Por esse tempo os carros egípcios eram vendidos por sete quilos de prata cada um, e os cavalos por 1,7 quilos cada, entregues em Jerusalém. Muitos destes eram posteriormente vendidos de novo aos reis heteus e sírios.

Het Boek

2 Kronieken 1

Salomo ontvangt zijn wijsheid van God

1Koning Davids zoon Salomo was nu de onbetwiste leider van Israël, want de Here, zijn God, was met hem en had hem tot een machtig heerser gemaakt. 2,3 Hij riep alle legerofficieren, rechters, politieke en godsdienstige leiders naar Gibeon. Daar aangekomen leidde hij hen de heuvel op naar de oude tabernakel die Mozes, de dienaar van de Here, in de woestijn had gebouwd. In Jeruzalem bevond zich een nieuwe tabernakel, die koning David bouwde voor de ark toen hij deze uit Kirjat-Jearim had gehaald. 5,6 Het koperen altaar dat Besaleël (de zoon van Uri en kleinzoon van Hur) had gemaakt, stond nog steeds voor de oude tabernakel. Op die plaats verzamelden Salomo en al de mannen die hij had uitgenodigd zich en hij bracht daar brandoffers aan de Here.

Die nacht kwam de Here bij Salomo en zei: ‘Vraag Mij wat u maar wilt en Ik zal het u geven.’ Salomo antwoordde: ‘O God, U bent goed geweest voor mijn vader David en U hebt mij nu het koningschap gegeven. Ik heb al meer dan genoeg, want U bent uw belofte aan mijn vader David nagekomen en hebt mij koning gemaakt van een volk dat zo talrijk is als het stof van de aarde. 10 Geef mij daarom wijsheid en inzicht, zodat ik dit volk goed kan regeren. Wie zou immers helemaal op eigen kracht een volk kunnen besturen dat zo groot is als dit volk van U?’ 11 God antwoordde: ‘Omdat u het liefst uw onderdanen wilt helpen en Mij niet hebt gevraagd om persoonlijke rijkdom en eer of om de dood van uw vijanden of een lang leven, maar om wijsheid en inzicht om mijn volk goed te leiden, 12 daarom geef Ik u de wijsheid en het inzicht waar u om vroeg. En Ik geef u bovendien zoveel rijkdom, schatten en eer als geen andere koning voor u heeft gekend. Nooit meer zal er op aarde zoʼn grote koning regeren.’

13 Na die woorden verliet Salomo de tabernakel, ging de heuvel af, terug naar Jeruzalem om zijn regeringstaak op zich te nemen. 14 Hij bouwde een legermacht op van veertienhonderd strijdwagens en riep twaalfduizend ruiters onder de wapenen om de steden te bewaken waar de strijdwagens waren gestationeerd. Een aantal wagens bleef in Jeruzalem bij de koning. 15 Tijdens Salomoʼs bewind waren in Jeruzalem zilver en goud even overvloedig aanwezig als de stenen op straat. En van kostbaar cederhout waren er zulke hoeveelheden dat men het gebruikte alsof het gewoon hout van de wilde vijgenboom was. 16 Zijn paarden kwamen uit Egypte en Kewé, waar zijn handelaren ze aankochten. 17 In die tijd kostte een Egyptische strijdwagen 66 kilo zilver en een paard 16,5 kilo zilver. Ze werden ook doorverkocht aan de koningen van de Hethieten en Aram.