Nova Versão Internacional

Lamentações 1:1-22

11.1 Cada capítulo de Lamentações é um poema organizado em ordem alfabética, no hebraico.Como está deserta a cidade,

antes tão cheia de gente!

Como se parece com uma viúva,

a que antes era grandiosa entre as nações!

A que era a princesa das províncias

agora tornou-se uma escrava.

2Chora amargamente à noite,

as lágrimas rolam por seu rosto.

De todos os seus amantes

nenhum a consola.

Todos os seus amigos a traíram;

tornaram-se seus inimigos.

3Em aflição e sob trabalhos forçados,

Judá foi levado ao exílio.

Vive entre as nações

sem encontrar repouso.

Todos os que a perseguiram a capturaram

em meio ao seu desespero.

4Os caminhos para Sião pranteiam,

porque ninguém comparece às suas festas fixas.

Todas as suas portas estão desertas,

seus sacerdotes gemem,

suas moças se entristecem,

e ela se encontra em angústia profunda.

5Seus adversários são os seus chefes;

seus inimigos estão tranquilos.

O Senhor lhe trouxe tristeza

por causa dos seus muitos pecados.

Seus filhos foram levados ao exílio,

prisioneiros dos adversários.

6Todo o esplendor fugiu da cidade1.6 Hebraico: filha; também em todo o livro de Lamentações. de Sião.

Seus líderes são como corças

que não encontram pastagem;

sem forças fugiram diante do perseguidor.

7Nos dias da sua aflição e do seu desnorteio,

Jerusalém se lembra de todos os tesouros

que lhe pertenciam nos tempos passados.

Quando o seu povo caiu nas mãos do inimigo,

ninguém veio ajudá-la.

Seus inimigos olharam para ela

e zombaram da sua queda.

8Jerusalém cometeu graves pecados;

por isso tornou-se impura.

Todos os que a honravam agora a desprezam,

porque viram a sua nudez;

ela mesma geme e se desvia deles.

9Sua impureza prende-se às suas saias;

ela não esperava que chegaria o seu fim.

Sua queda foi surpreendente;

ninguém veio consolá-la.

“Olha, Senhor, para a minha aflição,

pois o inimigo triunfou.”

10O adversário saqueia todos os seus tesouros;

ela viu nações pagãs entrarem

em seu santuário,

sendo que tu as tinhas proibido

de participar das tuas assembleias.

11Todo o seu povo se lamenta

enquanto vai em busca de pão;

e, para sobreviverem,

trocam tesouros por comida.

“Olha, Senhor, e considera,

pois tenho sido desprezada.

12“Vocês não se comovem,

todos vocês que passam por aqui?

Olhem ao redor e vejam

se há sofrimento maior

do que o que me foi imposto,

e que o Senhor trouxe sobre mim

no dia em que se acendeu a sua ira.

13“Do alto ele fez cair fogo

sobre os meus ossos.

Armou uma rede para os meus pés

e me derrubou de costas.

Deixou-me desolada,

e desfalecida o dia todo.

14“Os meus pecados foram amarrados num jugo;

suas mãos os ataram todos juntos

e os colocaram em meu pescoço;

o Senhor abateu a minha força.

Ele me entregou àqueles que não consigo vencer.

15“O Senhor dispersou todos os guerreiros

que me apoiavam;

convocou um exército contra mim

para destruir os meus jovens.

O Senhor pisou no seu lagar

a virgem, a cidade de Judá.

16“É por isso que eu choro;

as lágrimas inundam os meus olhos.

Ninguém está por perto para consolar-me,

não há ninguém que restaure o meu espírito.

Meus filhos estão desamparados

porque o inimigo prevaleceu.”

17Suplicante, Sião estende as mãos,

mas não há quem a console.

O Senhor decretou que os vizinhos de Jacó

se tornem seus adversários;

Jerusalém tornou-se coisa imunda entre eles.

18“O Senhor é justo,

mas eu me rebelei contra a sua ordem.

Ouçam, todos os povos;

olhem para o meu sofrimento.

Meus jovens e minhas moças

foram para o exílio.

19“Chamei os meus aliados,

mas eles me traíram.

Meus sacerdotes e meus líderes

pereceram na cidade,

enquanto procuravam comida

para poderem sobreviver.

20“Veja, Senhor, como estou angustiada!

Estou atormentada no íntimo

e no meu coração me perturbo,

pois tenho sido muito rebelde.

Lá fora, a espada a todos consome;

dentro, impera a morte.

21“Os meus lamentos têm sido ouvidos,

mas não há ninguém que me console.

Todos os meus inimigos sabem da minha agonia;

eles se alegram com o que fizeste.

Quem dera trouxesses o dia que anunciaste

para que eles ficassem como eu!

22“Que toda a maldade deles

seja conhecida diante de ti;

faze com eles o que fizeste comigo

por causa de todos os meus pecados.

Os meus gemidos são muitos

e o meu coração desfalece.”

Het Boek

Klaagliederen 1:1-22

Klaaglied over Jeruzalem

1De straten van Jeruzalem, eens vol met mensen, liggen er nu verlaten bij. Als een verdrietige weduwe zit zij daar eenzaam neer, zij treurt. Die eens de koningin van de volken was, is nu een slavin.

2Zij huilt de hele nacht, de tranen stromen over haar wangen. Geen van al haar geliefden is er om te helpen. Die eens haar vrienden waren, hebben haar nu verraden en zijn vijanden geworden.

3Na een moeilijke tijd van zware onderdrukking is Juda verbannen, nu leeft ze ver hier vandaan in ballingschap. Ze heeft geen rust, want haar belagers drijven haar in het nauw.

4De wegen naar Jeruzalem liggen er treurig bij. Zij zijn niet langer gevuld met blijde drommen mensen, op weg om de tempelfeesten te vieren. De stadspoorten zijn uitgestorven, haar priesters klagen en haar jonge meisjes zijn weggesleept. Zij huilt bitter.

5Haar vijanden zijn haar de baas, want de Here heeft Jeruzalem gestraft voor haar vele zonden, haar jonge kinderen zijn gevangengenomen en als slaven weggevoerd naar een ver land.

6Al haar schoonheid en luister is verdwenen. Haar vorsten zoeken als hongerige herten naar gras, als hulpeloze dieren, te zwak om te blijven vluchten voor hun achtervolgers.

7En op het dieptepunt van Jeruzalems ellende denkt zij terug aan de goede, oude tijd. Zij denkt aan alle fijne en blijde gebeurtenissen die zij meemaakte voordat die haatdragende vijand haar neersloeg, en er was niemand die haar te hulp kon komen.

8Jeruzalem heeft zwaar gezondigd, daarom is zij tot een bespotting geworden.

Allen die haar eens vereerden, verachten haar nu, want zij hebben gezien hoe zij werkelijk was en hoe zij werd vernederd. Zij schaamt zich diep en verbergt haar gezicht.

9Zelfs de zoom van haar kleding is bevuild en zij weigert onder ogen te zien dat de straf zeker niet zal uitblijven. Nu ligt zij in de goot en niemand helpt haar eruit. ‘Och Here,’ roept zij, ‘kijk toch hoe ik lijd. De vijand heeft mij overwonnen.’

10Haar vijanden hebben haar leeggeplunderd en al haar waardevolle bezittingen meegenomen. Zij moest toezien hoe vreemde volken haar heilige tempel onteerden, buitenlanders die U zelfs had verboden er binnen te komen.

11Haar inwoners jammeren en zoeken naar brood, zij hebben al hun bezittingen verkocht om eten te kopen en zo tenminste nog in leven te blijven. ‘Here,’ bidt zij, ‘kijk eens hoe ik word veracht.’

12Betekent dit niets voor u die hier voorbijkomt? Kijk om u heen en beoordeel of u ooit eerder zoʼn verdriet heeft gezien als bij mij. Dit alles heeft de Here mij aangedaan op de dag van zijn vlammende toorn.

13Hij stuurde vanuit de hemel vuur dat in mijn beenderen brandt. Hij zette een valstrik op mijn pad zodat ik verschrikt terugdeinsde. Hij heeft mij ziek en eenzaam laten worden.

14Hij weefde mijn zonden tot een touw waarmee Hij het slavenjuk op mijn nek vastmaakte. Hij ontnam mij mijn kracht en leverde mij over aan mijn vijanden, ik ben hulpeloos in hun handen.

15De Here heeft al mijn machtige mannen vertrapt. Op zijn bevel kwam een groot leger opzetten om de jongeren te vernietigen. De Here heeft zijn geliefde stad vertrapt, zoals men druiven in een wijnpers vertrapt.

16Om al deze dingen moet ik huilen, de tranen stromen langs mijn wangen. Mijn trooster is ver weg en Hij is de enige die mij zou kunnen helpen. Mijn kinderen hebben geen toekomst, want vijanden overheersen ons.

17Jeruzalem smeekt om hulp, maar niemand biedt troost. Want de Here heeft gezegd dat haar buren haar vijanden zouden worden! En dat zij als een onreine te midden van de volken zou worden!

18De Here heeft gelijk, want wij zijn tegen Hem in opstand gekomen. Maar toch, volken rondom, luister en kijk naar mijn vertwijfeling en angst, want mijn zonen en dochters zijn als slaven weggevoerd naar verre landen.

19Ik smeekte mijn bondgenoten mij te helpen. Maar ook dat was valse hoop. Zij konden op geen enkele manier helpen. Ook mijn priesters en leiders konden niet helpen, zij stierven van honger, terwijl zij in de vuilnishopen op straat naar brood zochten.

20Och Here, kijk toch naar mijn wanhoop, mijn hart is gebroken en mijn ziel krimpt ineen van angst, want ik ben vreselijk opstandig geweest. In de straten wacht het zwaard mij op, thuis word ik bedreigd door honger en ziekten.

21Mensen horen mijn jammerklachten wel, maar niemand kan mij troosten. Al mijn vijanden zien hoe ik lijd en zij genieten ervan. En toch zal er eens een tijd komen—want U hebt dat beloofd—dat U met hen hetzelfde zult doen als U met mij hebt gedaan.

22Kijk ook naar hun zonden en geef hun dezelfde straf als U mij gaf. Ik kan alleen maar zuchten en mijn hart doet pijn.