Nova Versão Internacional

Jó 6

1Então Jó respondeu:

“Se tão-somente pudessem
    pesar a minha aflição
e pôr na balança a minha desgraça!
Veriam que o seu peso é maior
    que o da areia dos mares.
Por isso as minhas palavras
    são tão impetuosas.
As flechas do Todo-poderoso
    estão cravadas em mim,
e o meu espírito suga delas o veneno;
os terrores de Deus
    me assediam.
Zurra o jumento selvagem,
    se tiver capim?
Muge o boi, se tiver forragem?
Come-se sem sal
    uma comida insípida?
E a clara do ovo, tem algum sabor?
Recuso-me a tocar nisso;
esse tipo de comida
    causa-me repugnância.

“Se tão-somente fosse atendido
    o meu pedido,
se Deus me concedesse o meu desejo,
se Deus se dispusesse a esmagar-me,
a soltar a mão protetora
    e eliminar-me!
10 Pois eu ainda teria o consolo,
    minha alegria
em meio à dor implacável,
    de não ter negado
    as palavras do Santo.

11 “Que esperança posso ter,
    se já não tenho forças?
Como posso ter paciência,
    se não tenho futuro?
12 Acaso tenho a força da pedra?
Acaso a minha carne é de bronze?
13 Haverá poder que me ajude,
agora que os meus recursos se foram?

14 “Um homem desesperado
    deve receber
    a compaixão de seus amigos,
muito embora ele tenha abandonado
    o temor do Todo-poderoso.
15 Mas os meus irmãos enganaram-me
    como riachos temporários,
como os riachos que transbordam
16 quando o degelo os torna turvos
    e a neve que se derrete os faz encher,
17 mas que param de fluir
    no tempo da seca,
e no calor desaparecem
    dos seus leitos.
18 As caravanas se desviam
    de suas rotas;
    sobem para lugares desertos
    e perecem.
19 Procuram água
    as caravanas de Temá,
olham esperançosos
    os mercadores de Sabá.
20 Ficam tristes,
    porque estavam confiantes;
lá chegaram tão-somente
    para sofrer decepção.
21 Pois agora vocês
    de nada me valeram;
contemplam minha temível situação,
    e se enchem de medo.
22 Alguma vez lhes pedi
    que me dessem alguma coisa?
Ou que da sua riqueza
    pagassem resgate por mim?
23 Ou que me livrassem
    das mãos do inimigo?
Ou que me libertassem das garras
    de quem me oprime?

24 “Ensinem-me,
    e eu me calarei;
mostrem-me onde errei.
25 Como doem as palavras verdadeiras!
Mas o que provam
    os argumentos de vocês?
26 Vocês pretendem corrigir o que digo
    e tratar como vento
as palavras de um homem
    desesperado?
27 Vocês seriam capazes
    de pôr em sorteio o órfão
e de vender um amigo
    por uma bagatela!

28 “Mas agora,
    tenham a bondade
    de olhar para mim.
Será que eu mentiria
    na frente de vocês?
29 Reconsiderem a questão,
    não sejam injustos;
tornem a analisá-la,
    pois a minha integridade
    está em jogo[a].
30 Há alguma iniqüidade em meus lábios?
Será que a minha boca
    não consegue discernir a maldade?

Notas al pie

  1. 6.29 Ou minha retidão ainda está firme

Het Boek

Job 6

Job antwoordt Elifaz

1Job antwoordde:

‘Als mijn zorgen gemeten konden worden en mijn verdriet gewogen kon worden,
dan zouden zij zwaarder blijken dan het zand van duizend stranden. Daarom sprak ik zo overhaast!
De Here heeft mij met zijn pijlen neergeschoten, zijn giftige pijlen zijn diep in mijn hart gedrongen. Al Gods rampen zijn op mij losgelaten!
5-7 Als wilde ezels balken, is dat omdat zij geen gras meer hebben om te eten, ossen loeien niet als zij genoeg voer hebben, een man klaagt als er geen zout in zijn eten zit. Het witte van een ei is smakeloos, ik weiger het te eten, ik walg van zulk voedsel.
8,9 Gunde God mij maar datgene waarnaar ik het meest verlang, te worden verbrijzeld en te worden bevrijd uit zijn pijnlijke greep.
10 Dan zou ik toch nog troost vinden, vreugde kennen ondanks deze ondraaglijke pijn, want de woorden van de heilige God heb ik niet verwaarloosd.
11 Och, waarom houdt mijn kracht mij nog op de been? Hoe kan ik het geduld opbrengen te wachten op mijn dood?
12 Ben ik soms zo sterk als een steen? Is mijn lichaam soms van koper?
13 Ik ben echt volkomen hulpeloos en heb geen enkele hoop meer!
14 Wie geen medelijden heeft met een vriend die lijdt, toont geen ontzag voor de Almachtige.
15-17 Mijn broeders zijn net zo onbetrouwbaar als een beek die stijgt als er ijs en sneeuw liggen, maar verdroogt wanneer het heet wordt.
18-21 Karavanen wijken van hun route af, dringen steeds verder de woestijn in, waar zij uiteindelijk omkomen. Zo hebben de karavanen uit Tema en Seba hoopvol naar water gezocht, maar hun hoop werd beschaamd. En zo is ook mijn vertrouwen in u verdwenen, geschrokken keert u mij de rug toe en weigert mij te helpen.
22 Maar waarom dan? Heb ik u ooit gevraagd mij een geschenk uit uw rijkdom te geven?
23 Heb ik ooit uw hulp ingeroepen tegen vijanden en ruziemakers?
24 Alles wat ik verlang, is een redelijk antwoord, dan zal ik zwijgen. Vertel mij maar wat ik verkeerd heb gedaan!
25,26 Het is pijnlijk de waarheid te spreken, maar uw kritiek berust niet op feiten. Gaat u mij alleen veroordelen, omdat ik in een opwelling mijn wanhoop uitschreeuwde?
27 Dat zou lijken op dobbelen om een hulpeloze wees of het verkopen van een vriend.
28 Kijk naar mij! Zie ik eruit alsof ik u iets voorlieg?
29 Heb medelijden, wees niet onrechtvaardig. Denk er nog eens goed over na, want u mag mij geen onrecht aandoen.
30 Spreek ik soms kwaad? Denkt u soms dat ik met mijn mond niet kan onderscheiden wat verkeerd is?’