Nova Versão Internacional

Jó 36

1Disse mais Eliú:

“Peço-lhe que seja um pouco mais
    paciente comigo,
e lhe mostrarei que se pode dizer
    mais verdades em defesa de Deus.
Vem de longe o meu conhecimento;
    atribuirei justiça ao meu Criador.
Não tenha dúvida,
    as minhas palavras não são falsas;
quem está com você
    é a perfeição no conhecimento.

“Deus é poderoso,
mas não despreza os homens;
é poderoso e firme em seu propósito.
Não poupa a vida dos ímpios,
mas garante os direitos dos aflitos.
Não tira os seus olhos do justo;
ele o coloca nos tronos com os reis
e o exalta para sempre.
Mas, se os homens
    forem acorrentados,
presos firmemente
    com as cordas da aflição,
ele lhes dirá o que fizeram,
que pecaram com arrogância.
10 Ele os fará ouvir a correção
e lhes ordenará que se arrependam
    do mal que praticaram.
11 Se lhe obedecerem e o servirem,
    serão prósperos até o fim dos seus dias
e terão contentamento
    nos anos que lhes restam.
12 Mas, se não obedecerem,
    perecerão à espada[a]
e morrerão na ignorância.

13 “Os que têm coração ímpio
    guardam ressentimento;
mesmo quando ele os agrilhoa
    eles não clamam por socorro.
14 Morrem em plena juventude
    entre os prostitutos dos santuários.
15 Mas aos que sofrem
    ele os livra
    em meio ao sofrimento;
em sua aflição ele lhes fala.

16 “Ele está atraindo você
    para longe das mandíbulas da aflição,
para um lugar amplo e livre,
para o conforto da mesa farta e seleta
    que você terá.
17 Mas agora, farto sobre você
é o julgamento que cabe aos ímpios;
o julgamento e a justiça o pegaram.
18 Cuidado!
Que ninguém o seduza com riquezas;
não se deixe desviar por suborno,
    por maior que este seja.
19 Acaso a sua riqueza, ou mesmo
    todos os seus grandes esforços,
dariam a você apoio
    e alívio da aflição?
20 Não anseie pela noite,
quando o povo é tirado dos seus lares.
21 Cuidado! Não se volte
    para a iniqüidade,
que você parece preferir à aflição.

22 “Deus é exaltado em seu poder.
Quem é mestre como ele?
23 Quem lhe prescreveu
    os seus caminhos,
ou lhe disse: ‘Agiste mal’?
24 Lembre-se de exaltar as suas obras,
às quais os homens dedicam
    cânticos de louvor.
25 Toda a humanidade as vê;
de lugares distantes
    os homens as contemplam.
26 Como Deus é grande!
Ultrapassa o nosso entendimento!
Não há como calcular
    os anos da sua existência.

27 “Ele atrai as gotas de água,
    que se dissolvem
    e descem como chuva
    para os regatos[b];
28 as nuvens as despejam em aguaceiros
    sobre a humanidade.
29 Quem pode entender
    como ele estende as suas nuvens,
como ele troveja
    desde o seu pavilhão?
30 Observe como ele espalha
    os seus relâmpagos ao redor,
iluminando até as profundezas do mar.
31 É assim que ele governa[c] as nações
e lhes fornece grande fartura.
32 Ele enche as mãos de relâmpagos
e lhes determina o alvo
    que deverão atingir.
33 Seu trovão anuncia a tempestade
    que está a caminho;
até o gado a pressente.[d]

Notas al pie

  1. 36.12 Ou atravessarão o Rio
  2. 36.27 Ou destilam como chuva a partir da névoa
  3. 36.31 Ou nutre
  4. 36.33 Ou anuncia a sua vinda, a vinda do que é zeloso contra o mal.

Het Boek

Job 36

Elihu wijst op Gods almacht

1Elihu vervolgde:

‘Heb nog even geduld, dan zal ik verder gaan. Want ik ben nog niet klaar met God te verdedigen!
Ik zal u enkele wijsheden uit een ver verleden geven, die de rechtvaardigheid van mijn Schepper aantonen.
Ik vertel u de waarheid, want ik ben een man met feilloos inzicht.
God is almachtig en toch heeft Hij van niemand een afkeer! Zijn begrip en inzicht zijn volmaakt.
Hij houdt de goddelozen niet in leven, maar geeft aan de onderdrukten hun rechten.
De goede mensen negeert Hij niet, maar Hij verhoogt hen door hun een plaats te geven op eeuwige, koninklijke tronen.
Als zij in moeilijkheden komen, tot slaaf worden gemaakt en er ellendig aan toe zijn,
gebruikt Hij die moeilijkheden om hen erop te wijzen dat zij hebben gezondigd en zich te hoogmoedig hebben gedragen.
10 Hij maakt dat zij luisteren naar zijn woord en berouw hebben over hun zonden.
11 Als zij luisteren en Hem gehoorzamen, zullen zij worden gezegend met een gelukkig en voorspoedig leven.
12 Als zij niet naar Hem willen luisteren, zullen zij ten onder gaan en sterven door hun gebrek aan gezond verstand.
13 De goddelozen hebben haatgevoelens in hun hart. Zelfs als Hij hen vastbindt, roepen ze niet naar Hem om hulp.
14 Zij sterven jong, na een leven van ontucht en verdorvenheid.
15 Hij redt degenen die lijden en spreekt tot hen in hun ellende.
16 Zo wil Hij ook u uit de nood uitleiden naar een ruime plaats zonder beperkingen, naar een tafel vol heerlijke gerechten.
17 Maar nu wordt u beheerst door uw haatgevoelens over de goddelozen. U bent helemaal in de ban van rechtvaardigheid en oordeel.
18 Pas op dat niemand u door rijkdom of omkoping verleidt.
19 Zou uw rijkdom of uw machtige inspanning u voldoende steun kunnen geven en u uit de nood helpen?
20 Verlang niet naar de nacht die volken wegsleurt van hun plaats.
21 Laat het kwaad links liggen, want God bracht u deze ellende om ervoor te zorgen dat u niet in een slecht leven verviel.
22 Kijk, God is almachtig. Kent u een betere leermeester dan Hij?
23 Wie durft Hem wetten voor te schrijven of te zeggen dat wat Hij doet verkeerd is?
24 Nee, u kunt Hem beter prijzen om zijn machtige daden, waarvan mensen hebben gezongen!
25 Iedereen heeft deze machtige daden gezien en er van een afstand met verwondering naar gekeken.
26 God is zo groot dat wij ons van Hem geen voorstelling kunnen maken. Niemand kan een begrip als “eeuwigheid” bevatten.
27 Hij vangt de waterdruppels op en zeeft ze als regen uit de damp.
28 Zo valt de regen uit de wolken naar beneden op de mensheid.
29 Wie begrijpt iets van de wolkenformaties en van de donderslagen die er doorheen dreunen?
30 Kijk eens hoe Hij het licht om Zich heen verspreidt en hoe Hij een deken legt over de diepten van de oceanen.
31 Zo oordeelt Hij over de volken, zo geeft Hij de mensen voedsel in overvloed.
32 In zijn handen houdt Hij de bliksemschichten en op bevel stuurt Hij elk ervan naar een bepaald doel.
33 In de donder voelen wij zijn aanwezigheid naderen. Hij strijdt tegen het onrecht.’