New International Version

Ezekiel 7

The End Has Come

1The word of the Lord came to me: “Son of man, this is what the Sovereign Lord says to the land of Israel:

“‘The end! The end has come
    upon the four corners of the land!
The end is now upon you,
    and I will unleash my anger against you.
I will judge you according to your conduct
    and repay you for all your detestable practices.
I will not look on you with pity;
    I will not spare you.
I will surely repay you for your conduct
    and for the detestable practices among you.

“‘Then you will know that I am the Lord.’

“This is what the Sovereign Lord says:

“‘Disaster! Unheard-of[a] disaster!
    See, it comes!
The end has come!
    The end has come!
It has roused itself against you.
    See, it comes!
Doom has come upon you,
    upon you who dwell in the land.
The time has come! The day is near!
    There is panic, not joy, on the mountains.
I am about to pour out my wrath on you
    and spend my anger against you.
I will judge you according to your conduct
    and repay you for all your detestable practices.
I will not look on you with pity;
    I will not spare you.
I will repay you for your conduct
    and for the detestable practices among you.

“‘Then you will know that it is I the Lord who strikes you.

10 “‘See, the day!
    See, it comes!
Doom has burst forth,
    the rod has budded,
    arrogance has blossomed!
11 Violence has arisen,[b]
    a rod to punish the wicked.
None of the people will be left,
    none of that crowd—
none of their wealth,
    nothing of value.
12 The time has come!
    The day has arrived!
Let not the buyer rejoice
    nor the seller grieve,
    for my wrath is on the whole crowd.
13 The seller will not recover
    the property that was sold—
    as long as both buyer and seller live.
For the vision concerning the whole crowd
    will not be reversed.
Because of their sins, not one of them
    will preserve their life.

14 “‘They have blown the trumpet,
    they have made all things ready,
but no one will go into battle,
    for my wrath is on the whole crowd.
15 Outside is the sword;
    inside are plague and famine.
Those in the country
    will die by the sword;
those in the city
    will be devoured by famine and plague.
16 The fugitives who escape
    will flee to the mountains.
Like doves of the valleys,
    they will all moan,
    each for their own sins.
17 Every hand will go limp;
    every leg will be wet with urine.
18 They will put on sackcloth
    and be clothed with terror.
Every face will be covered with shame,
    and every head will be shaved.

19 “‘They will throw their silver into the streets,
    and their gold will be treated as a thing unclean.
Their silver and gold
    will not be able to deliver them
    in the day of the Lord’s wrath.
It will not satisfy their hunger
    or fill their stomachs,
    for it has caused them to stumble into sin.
20 They took pride in their beautiful jewelry
    and used it to make their detestable idols.
They made it into vile images;
    therefore I will make it a thing unclean for them.
21 I will give their wealth as plunder to foreigners
    and as loot to the wicked of the earth,
    who will defile it.
22 I will turn my face away from the people,
    and robbers will desecrate the place I treasure.
They will enter it
    and will defile it.

23 “‘Prepare chains!
    For the land is full of bloodshed,
    and the city is full of violence.
24 I will bring the most wicked of nations
    to take possession of their houses.
I will put an end to the pride of the mighty,
    and their sanctuaries will be desecrated.
25 When terror comes,
    they will seek peace in vain.
26 Calamity upon calamity will come,
    and rumor upon rumor.
They will go searching for a vision from the prophet,
    priestly instruction in the law will cease,
    the counsel of the elders will come to an end.
27 The king will mourn,
    the prince will be clothed with despair,
    and the hands of the people of the land will tremble.
I will deal with them according to their conduct,
    and by their own standards I will judge them.

“‘Then they will know that I am the Lord.’”

Notas al pie

  1. Ezekiel 7:5 Most Hebrew manuscripts; some Hebrew manuscripts and Syriac Disaster after
  2. Ezekiel 7:11 Or The violent one has become

Het Boek

Ezechiël 7

Gods toorn over Israël

1Opnieuw kreeg ik een boodschap van de Here: ‘Zeg tegen Israël: “In welke richting Ik ook kijk—oost, west, noord of zuid—het einde is gekomen voor uw land. Het is zo ver! Ik laat mijn toorn op u los. Ik zal oordelen over uw gedrag en u zult boeten voor al uw goddeloze praktijken. Ik zal u niet ontzien en geen medelijden tonen. Ik zal u al uw zonden betaald zetten en u zult erachter komen dat Ik de Here ben.

5,6 De Oppermachtige Here zegt: met de ene ramp na de andere zal Ik u naar de afgrond drijven. Het einde nadert, uw lot, uw verwerping, ligt vast. Och Israël, de dag van uw veroordeling breekt aan, de tijd is gekomen en uw ongeluksdag nadert. Het is een dag van eindeloze paniek, zonder een enkele vreugdekreet!

8,9 Binnenkort zal Ik mijn toorn over u uitstorten en u straffen voor al uw goddeloze daden. Ik zal u niet sparen noch medelijden met u hebben en u zult te weten komen dat de Here u dit aandoet.

10,11 De oordeelsdag is gekomen, het ongeluk komt over u, want uw goddeloosheid en trots hebben hun toppunt bereikt. Het geweld is opgebloeid tot een stok om daarmee de goddeloosheid te straffen, geen van deze rijke en goddeloze, arrogante mannen zal in leven blijven. Uw welvaart zal verdwijnen en er zal niets van waarde overblijven. 12 Ja, de tijd is gekomen, de dag is aangebroken. Er zal niets zijn om te kopen of te verkopen, want de toorn van God rust op het hele land dat tegen Hem in opstand is gekomen. 13 De verkoper zal niet kunnen terugkopen wat hij ooit heeft verkocht, ook al wil hij dat nog zo graag, want God heeft Zich uitgesproken tegen het hele volk Israël, allen zullen worden vernietigd. Geen van hen die in zonde leven, zal overblijven. 14 De trompetten roepen naar Israëls leger: ‘Maak u klaar voor de strijd!’ Maar niemand zal zich klaarmaken, want mijn toorn rust op het hele volk. 15 Als u zich buiten de muren begeeft, staat de vijand daar klaar om u te doden. Als u binnen blijft, zullen honger en ziekten u verteren. 16 Ieder die ontsnapt, zal eenzaam zijn als de kirrende duiven op de bergen, kreunend om de misdaden die hij heeft begaan. 17 Alle handen zullen verslappen en de knieën zullen versmelten tot water. 18 U zult rouwkleding dragen, afschuw en schaamte zullen u bedekken, u zult uw hoofden kaalscheren als teken van rouw. 19 U zult uw geld weggooien, het als afval beschouwen, want op die dag van toorn zal het geen enkele waarde hebben. Het zal u geen bevrediging noch voldoening geven, want uw geldzucht was de aanleiding tot uw zonde. 20 U heeft uw schatten omgesmolten tot afgodsbeelden waar u zo over opschept. Daarom zal Ik het in vuilnis veranderen zodat u het zult verafschuwen. 21 Ik zal uw afgodsbeelden als buit aan buitenlanders en goddeloze volken geven. Zij zullen die afgoden die u hebt gediend, ontwijden. 22 Ik zal niet kijken als zij dat doen en Ik zal hun ook geen halt toeroepen. Als rovers zullen zij zelfs het Heilige, mijn tempel, binnendringen en ontheiligen.

23 Maak ketens klaar voor mijn volk, want overal in het land worden bloedbaden aangericht. Jeruzalem is vol geweld. 24 Ik zal uw trots vernietigen door de wreedste volken naar Jeruzalem te sturen om uw huizen in bezit te nemen, de hoogmoed van de machthebbers te vernederen en hun heiligdommen te ontheiligen. 25 Want de tijd is gekomen dat angst en paniek zullen heersen en dat u rust en vrede zult zoeken, maar die zal er dan niet zijn. 26,27 Ramp na ramp zal u treffen, het ene ongeluk na het andere. Men zal tevergeefs uitzien naar de openbaring van een profeet, tevergeefs wachten op het onderwijs van een priester, tevergeefs hopen op advies van de leiders. De koning en zijn adviseurs zullen door wanhoop zijn verlamd. De mensen zullen radeloos zijn van angst, want Ik zal hen net zo slecht behandelen als zij anderen hebben behandeld. Zij ontvangen hun verdiende loon. Dan zullen zij moeten toegeven dat Ik de Here ben.” ’