New International Reader's Version

Deuteronomy 26

Give the Lord His Share

1You will enter the land the Lord your God is giving you as your own. You will take it over. You will make your homes in the land. When you do, get some of the first share of everything your soil produces. Put it in a basket. It’s from the land the Lord your God is giving you. Take your gifts and go to the special place he will choose. He will put his Name there. Speak to the priest in office at that time. Tell him, “I announce today to the Lord your God that I have come to this land. It’s the land he promised to give us. He promised it to our people of long ago.” The priest will receive the basket from you. He’ll set it down in front of the altar of the Lord your God. Then you will speak while the Lord is listening. You will say, “My father Jacob was a wanderer from the land of Aram. He went down into Egypt with a few people. He lived there and became the father of a great nation. It had huge numbers of people. But the people of Egypt treated us badly. They made us suffer. They made us work very hard. Then we cried out to the Lord. He is the God of our people who lived long ago. He heard our voice. He saw how much we were suffering. The Egyptians were treating us badly. They were making us work very hard. So the Lord used his mighty hand and powerful arm to bring us out of Egypt. He did great and terrifying things. He did signs and amazing things. He brought us to this place. He gave us this land. It’s a land that has plenty of milk and honey. 10 Now, Lord, I’m bringing you the first share of crops from the soil. After all, you have given them to me.” Place the basket in front of the Lord your God. Bow down to him. 11 Then you and the Levites and the outsiders among you will be full of joy. You will enjoy all the good things the Lord your God has given to you and your family.

12 You will set apart a tenth of everything you produce in the third year. That’s the year for giving the tenth to people who have greater needs. You will give it to the Levites, outsiders and widows. You will also give it to children whose fathers have died. Then all of them will have plenty to eat in your towns. 13 Speak to the Lord your God. Say to him, “I have taken your sacred share from my house. I have given it to the Levites, outsiders and widows. I have also given it to children whose fathers have died. I’ve done everything you commanded me to do. I haven’t stopped obeying your commands. I haven’t forgotten any of them. 14 I haven’t eaten any part of your sacred share while I mourned over someone who had died. I haven’t taken any of it from my house while I was ‘unclean.’ And I haven’t offered any of it to the dead. Lord my God, I’ve obeyed you. I’ve done everything you commanded me to do. 15 Look down from the holy place where you live in heaven. Bless your people Israel. Bless the land you have given us. It’s the land you promised to give to our people of long ago. It’s a land that has plenty of milk and honey.”

Obey the Lord’s Commands

16 This day the Lord your God commands you to obey all these rules and laws. Be careful to obey them with all your heart and with all your soul. 17 Today you have announced that the Lord is your God. You have said you would live exactly as he wants you to live. You have agreed to keep his rules, commands and laws. And you have said you would listen to him. 18 Today the Lord has announced that you are his people. He has said that you are his special treasure. He promised that you would be. He has told you to keep all his commands. 19 He has announced that he will make you famous. He’ll give you more praise and honor than all the other nations he has made. And he has said that you will be a holy nation. The Lord your God has set you apart for himself. That’s exactly what he promised to do.

Het Boek

Deuteronomium 26

Geschenken voor God

1‘Wanneer u aankomt in het land, het hebt veroverd en erin woont, 2,3 moet u in het heiligdom de eerste jaarlijkse opbrengsten van uw oogst aan de Here aanbieden. Breng het mee in een mand, geef het aan de dienstdoende priester en zeg: “Dit geschenk is mijn plechtige verklaring dat de Here, mijn God, mij in het land heeft gebracht dat Hij mijn voorouders heeft beloofd.” De priester zal de mand dan uit uw hand nemen en die voor het altaar neerzetten. Dan zult u staande voor de Here, uw God, zeggen: “Mijn voorvader was een zwervende Arameeër, die als vreemdeling naar Egypte trok. Hij was met weinig mensen, maar ze groeiden in Egypte uit tot een sterk en machtig volk. 6,7 De Egyptenaren behandelden ons erg slecht en wij riepen tot de Here God. Hij hoorde ons en zag ons lijden, onze moeilijkheden en de onderdrukking die wij ondergingen. Met machtige wonderen en een sterke hand leidde Hij ons toen uit Egypte. Hij deed grote en geweldige wonderen voor de ogen van de Egyptenaren. Hij heeft ons naar deze plaats gebracht en ons dit land gegeven, dat overvloeit van melk en honing. 10 Kijk, Here, ik breng U nu de eerste opbrengsten van de grond die U mij hebt gegeven!” Zet de opbrengst dan neer voor de Here, uw God, en aanbid Hem. 11 Verheug u daarna over al het goede dat Hij u heeft gegeven. Vier feest met uw gezin en met alle Levieten en vreemdelingen die bij u wonen.

12 Het derde jaar is het jaar van de tienden. In dat jaar moet u al uw tienden aan de Levieten, vreemdelingen, wezen en weduwen geven, zodat zij meer dan genoeg kunnen eten. 13 Dan zult u voor de Here, uw God, verklaren: “Ik heb al mijn tienden aan de Levieten, vreemdelingen, wezen en weduwen gegeven, zoals U mij hebt opgedragen. Ik heb geen van uw geboden overtreden of vergeten. 14 Ik heb de tienden niet aangeraakt toen ik onrein was (tijdens de rouwperiode bijvoorbeeld) en ik heb niets ervan aan de doden geofferd. Ik heb de Here, mijn God, gehoorzaamd en alles gedaan wat U mij hebt opgedragen. 15 Kijk neer vanuit uw heilig huis in de hemelen en zegen uw volk Israël en het land dat U ons hebt gegeven, zoals U onze voorouders hebt beloofd, een land dat overvloeit van melk en honing!”

16 U moet met heel uw hart de wetten en regels die de Here, uw God, u vandaag geeft, gehoorzamen. 17 U hebt vandaag verklaard dat Hij uw God is, u hebt beloofd zijn wetten en voorschriften te gehoorzamen en naar zijn stem te luisteren. 18 En de Here heeft vandaag verklaard dat u zijn eigen volk bent, zoals Hij heeft beloofd en dat u al zijn geboden moet gehoorzamen. 19 Als u dat doet, zal Hij u groter maken dan welk ander volk ook: u zult lof oogsten en met roem overladen worden. Dan zult u een heilig volk zijn voor de Here, uw God, zoals Hij dat van u verlangt.’