The Message

Zechariah 1

11-4 In the eighth month of the second year in the reign of Darius, God’s Message came to the prophet Zechariah son of Berechiah, son of Iddo: “God was very angry with your ancestors. So give to the people this Message from God-of-the-Angel-Armies: ‘Come back to me and I’ll come back to you. Don’t be like your parents. The old-time prophets called out to them, “A Message from God-of-the-Angel-Armies: Leave your evil life. Quit your evil practices.” But they ignored everything I said to them, stubbornly refused to listen.’

5-6 “And where are your ancestors now? Dead and buried. And the prophets who preached to them? Also dead and buried. But the Message that my servants the prophets spoke, that isn’t dead and buried. That Message did its work on your ancestors, did it not? It woke them up and they came back, saying, ‘He did what he said he would do, sure enough. We didn’t get by with a thing.’”

First Vision: Four Riders

On the twenty-fourth day of the eleventh month in the second year of the reign of Darius, the Message of God was given to the prophet Zechariah son of Berechiah, son of Iddo:

One night I looked out and saw a man astride a red horse. He was in the shadows in a grove of birches. Behind him were more horses—a red, a chestnut, and a white.

I said, “Sir, what are these horses doing here? What’s the meaning of this?”

The Angel-Messenger said, “Let me show you.”

10 Then the rider in the birch grove spoke up, “These are the riders that God sent to check things out on earth.”

11 They reported their findings to the Angel of God in the birch grove: “We have looked over the whole earth and all is well. Everything’s under control.”

12 The Angel of God reported back, “O God-of-the-Angel-Armies, how long are you going to stay angry with Jerusalem and the cities of Judah? When are you going to let up? Isn’t seventy years long enough?”

13-15 God reassured the Angel-Messenger—good words, comforting words—who then addressed me: “Tell them this. Tell them that God-of-the-Angel-Armies has spoken. This is God’s Message: ‘I care deeply for Jerusalem and Zion. I feel very possessive of them. But I’m thoroughly angry with the godless nations that act as if they own the whole world. I was only moderately angry earlier, but now they’ve gone too far. I’m going into action.

16-17 “‘I’ve come back to Jerusalem, but with compassion this time.’
    This is God speaking.
‘I’ll see to it that my Temple is rebuilt.’
    A Decree of God-of-the-Angel-Armies!
‘The rebuilding operation is already staked out.’
    Say it again—a Decree of God-of-the-Angel-Armies:
‘My cities will prosper again,
    God will comfort Zion again,
    Jerusalem will be back in my favor again.’”

Second Vision: Four Horns and Four Blacksmiths

18 I looked up, and was surprised by another vision: four horns!

19 I asked the Messenger-Angel, “And what’s the meaning of this?”

He said, “These are the powers that have scattered Judah, Israel, and Jerusalem abroad.”

20 Then God expanded the vision to include four blacksmiths.

21 I asked, “And what are these all about?”

He said, “Since the ‘horns’ scattered Judah so badly that no one had any hope left, these blacksmiths have arrived to combat the horns. They’ll dehorn the godless nations who used their horns to scatter Judah to the four winds.”

Het Boek

Zacharia 1

De boodschap van de engel van de Here

1In de achtste maand van koning Dariusʼ tweede regeringsjaar ontving de profeet Zacharia, de zoon van Berechja en kleinzoon van Iddo, deze boodschap van de Here.

‘De Here is toornig geweest op uw voorouders. Maar tegen u zegt Hij: “Als u bij Mij terugkomt, zal Ik ook bij u terugkomen.” Wees niet zoals uw voorouders! De vroegere profeten zeiden tegen hen: “De Here van de hemelse legers zegt dat u moet ophouden met uw kwade praktijken,” maar zij luisterden niet. Zij bekommerden zich niet om Mij. Wat is er van uw voorouders en hun profeten geworden? Maar mijn woord houdt eeuwig stand! De woorden die Ik door mijn profeten liet verkondigen, hebben uw voorouders ten slotte toch bereikt, waarna zij tot inkeer kwamen. Toen moesten zij erkennen: “De Here van de hemelse legers had ons nog zo gewaarschuwd, maar moest uiteindelijk zijn dreigementen toch uitvoeren. Wij kregen wat wij verdienden.” ’

Op de vierentwintigste dag van de elfde maand, de maand Sebat, nog steeds in het tweede regeringsjaar van koning Darius, ontving de profeet Zacharia opnieuw een boodschap van de Here. Deze keer kwam de boodschap ʼs nachts in de vorm van een visioen: ik zag een man op een rood paard. Hij stond tussen de mirtestruiken in een rivierdal en achter hem stonden andere paarden, rode, bruine en witte. Een engel stond naast mij en ik vroeg hem: ‘Waarvoor zijn al die paarden daar, mijn heer?’ ‘Ik zal het u vertellen,’ zei hij. 10 De man die tussen de mirtestruiken stond, zei: ‘De Here heeft hen uitgestuurd om voor Hem de hele aarde te verkennen.’ 11 Toen brachten de andere ruiters de engel van de Here verslag uit van hun tocht: ‘Wij hebben de hele aarde verkend en het is overal volkomen rustig.’ 12 Bij het horen hiervan zei de engel van de Here: ‘Here van de hemelse legers, U bent nu al zeventig jaar toornig geweest op Jeruzalem en de andere steden in Juda. Hoelang zal het nog duren voordat U Zich hun lot aantrekt en weer medelijden toont?’ 13 De Here antwoordde de engel die naast mij stond met vriendelijke, troostrijke woorden.

14 Toen zei de engel tegen mij: ‘Predik dit namens de Here van de hemelse legers: “Denkt u dat het Mij niets kan schelen wat er met Jeruzalem en Juda is gebeurd? Ik waak over hen! 15 Ik ben in grote woede ontstoken tegen de heidense volken die zo zelfverzekerd zijn. Ik was niet erg kwaad op mijn volk, maar die volken hebben hen buitensporig zwaar gestraft. 16 Daarom,” zegt de Here, “zal Ik medelijden hebben en terugkeren naar Jeruzalem. Mijn tempel zal worden herbouwd en ook Jeruzalem zal weer herrijzen. 17 Herhaal het nog eens: de Here van de hemelse legers belooft dat de steden van Israël zullen overvloeien van welvaart. En de Here zal Jeruzalem weer troosten en zegenen en in haar wonen.” ’

18 Toen keek ik op en zag vier horens. 19 ‘Wat betekent dat?’ vroeg ik de engel. Hij antwoordde: ‘Zij vertegenwoordigen de vier wereldmachten die Juda, Israël en Jeruzalem hebben verstrooid.’ 20 Vervolgens liet de Here mij vier smeden zien. 21 ‘Wat komen die mannen doen?’ vroeg ik. De engel antwoordde: ‘Zij zijn gekomen om de vier horens die de bevolking van Juda zo volkomen hebben uiteengeslagen, vast te grijpen. Zij zullen hen stukslaan op het aambeeld en weggooien.’