The Message

Psalm 89

An Ethan Prayer

11-4 Your love, God, is my song, and I’ll sing it!
    I’m forever telling everyone how faithful you are.
I’ll never quit telling the story of your love—
    how you built the cosmos
    and guaranteed everything in it.
Your love has always been our lives’ foundation,
    your fidelity has been the roof over our world.
You once said, “I joined forces with my chosen leader,
    I pledged my word to my servant, David, saying,
‘Everyone descending from you is guaranteed life;
    I’ll make your rule as solid and lasting as rock.’”

5-18 God! Let the cosmos praise your wonderful ways,
    the choir of holy angels sing anthems to your faithful ways!
Search high and low, scan skies and land,
    you’ll find nothing and no one quite like God.
The holy angels are in awe before him;
    he looms immense and august over everyone around him.
God-of-the-Angel-Armies, who is like you,
    powerful and faithful from every angle?
You put the arrogant ocean in its place
    and calm its waves when they turn unruly.
You gave that old hag Egypt the back of your hand,
    you brushed off your enemies with a flick of your wrist.
You own the cosmos—you made everything in it,
    everything from atom to archangel.
You positioned the North and South Poles;
    the mountains Tabor and Hermon sing duets to you.
With your well-muscled arm and your grip of steel—
    nobody trifles with you!
The Right and Justice are the roots of your rule;
    Love and Truth are its fruits.
Blessed are the people who know the passwords of praise,
    who shout on parade in the bright presence of God.
Delighted, they dance all day long; they know
    who you are, what you do—they can’t keep it quiet!
Your vibrant beauty has gotten inside us—
    you’ve been so good to us! We’re walking on air!
All we are and have we owe to God,
    Holy God of Israel, our King!

19-37 A long time ago you spoke in a vision,
    you spoke to your faithful beloved:
“I’ve crowned a hero,
    I chose the best I could find;
I found David, my servant,
    poured holy oil on his head,
And I’ll keep my hand steadily on him,
    yes, I’ll stick with him through thick and thin.
No enemy will get the best of him,
    no scoundrel will do him in.
I’ll weed out all who oppose him,
    I’ll clean out all who hate him.
I’m with him for good and I’ll love him forever;
    I’ve set him on high—he’s riding high!
I’ve put Ocean in his one hand, River in the other;
    he’ll call out, ‘Oh, my Father—my God, my Rock of Salvation!’
Yes, I’m setting him apart as the First of the royal line,
    High King over all of earth’s kings.
I’ll preserve him eternally in my love,
    I’ll faithfully do all I so solemnly promised.
I’ll guarantee his family tree
    and underwrite his rule.
If his children refuse to do what I tell them,
    if they refuse to walk in the way I show them,
If they spit on the directions I give them
    and tear up the rules I post for them—
I’ll rub their faces in the dirt of their rebellion
    and make them face the music.
But I’ll never throw them out,
    never abandon or disown them.
Do you think I’d withdraw my holy promise?
    or take back words I’d already spoken?
I’ve given my word, my whole and holy word;
    do you think I would lie to David?
His family tree is here for good,
    his sovereignty as sure as the sun,
Dependable as the phases of the moon,
    inescapable as weather.”

38-51 But God, you did walk off and leave us,
    you lost your temper with the one you anointed.
You tore up the promise you made to your servant,
    you stomped his crown in the mud.
You blasted his home to kingdom come,
    reduced his city to a pile of rubble
Picked clean by wayfaring strangers,
    a joke to all the neighbors.
You declared a holiday for all his enemies,
    and they’re celebrating for all they’re worth.
Angry, you opposed him in battle,
    refused to fight on his side;
You robbed him of his splendor, humiliated this warrior,
    ground his kingly honor in the dirt.
You took the best years of his life
    and left him an impotent, ruined husk.
How long do we put up with this, God?
    Are you gone for good? Will you hold this grudge forever?
Remember my sorrow and how short life is.
    Did you create men and women for nothing but this?
We’ll see death soon enough. Everyone does.
    And there’s no back door out of hell.
So where is the love you’re so famous for, Lord?
    What happened to your promise to David?
Take a good look at your servant, dear Lord;
    I’m the butt of the jokes of all nations,
The taunting jokes of your enemies, God,
    as they dog the steps of your dear anointed.

52 Blessed be God forever and always!
Yes. Oh, yes.

Het Boek

Psalmen 89

1Een leerzaam gedicht van de Ezrahiet Ethan.

Ik wil alleen nog maar zingen
van de goedheid en genade van de Here,
van alles wat Hij voor mij heeft gedaan.
Van generatie op generatie
zal ik getuigen van uw trouw.
Ik zeg dan:
uw goedheid en liefde gelden eeuwig,
tot in de hemel blijkt hoe trouw U bent.
De Here zegt:
Ik heb een verbond gesloten
met de man die Ik heb uitgekozen,
dat heb Ik gezworen aan mijn dienaar David.
Ik zei tegen hem:
Ik zal uw nageslacht blijven zegenen,
van generatie op generatie
zullen uw kinderen op de troon blijven.
Here, daarom wordt uw grote macht
tot in de hemel geprezen.
Alle gelovigen loven U om uw trouw.
Kan in de hemel iemand
zich meten met de Here?
Is er op aarde
een god als onze Here?
God dwingt ontzag en respect af
van de heilige engelen die Hem omringen.
Here, God van de hemelse legers,
wie is zo groot en machtig als U?
Uw trouw omgeeft U.
10 U beheerst de woede van de zee,
als de golven hoog oprijzen, brengt U ze tot rust.
11 U hebt Egypte vernietigd
en al uw vijanden door uw kracht verspreid.
12 De hemel is van U
en ook de aarde behoort U toe.
U hebt de wereld en alles wat erop leeft, geschapen.
13 Van noord tot zuid hebt U alles gemaakt.
De bergen juichen U toe.
14 Uw arm is machtig en uw hand is sterk.
Uw rechterhand is de hoogste op aarde.
15 Alles wat U doet, is recht en rechtvaardig.
Goedheid, liefde en trouw
zijn alleen op U van toepassing.
16 Gelukkig is het volk dat U eert, Here,
zij gaan hun weg met U, in uw licht.
17 De hele dag prijzen zij uw naam
en dankzij uw rechtvaardigheid staan zij sterk.
18 Want U bent het kenmerk van hun kracht,
door uw liefde en goedkeuring ontvangen wij een hoge positie.
19 De Here beschermt ons
en de Heilige God van Israël is onze Koning.
20 In het verleden hebt U tegen uw volgelingen gezegd:
‘Ik heb mijn hulp toegezegd aan een dapper man,
één man uit uw volk koos Ik speciaal uit.
21 Ik vond mijn dienaar David
en heb hem met gewijde olie gezalfd.
22 Mijn hand zal hem ondersteunen
en mijn arm zal hem sterk maken.
23 De vijand zal hem niet in zijn macht krijgen
en geen misdadiger zal hem kwaad kunnen doen.
24 Integendeel, Ik zal zijn tegenstanders voor hem vernietigen.
Wie hem haten, zullen Mij tegenkomen.
25 Maar al mijn trouw en liefde zijn voor hem.
Dankzij Mij bekleedt hij een hoge positie.
26 Ik geef hem zelfs gezag over zeeën en rivieren.
27 Hij zal Mij zijn Vader noemen.
Ik zal zijn God zijn
en de rots waar hij zijn redding vindt.
28 Ik zal hem behandelen als een oudste zoon,
als een van de hoogste koningen op aarde.
29 Mijn goedheid en liefde zijn blijvend voor hem,
mijn verbond met hem kan niet meer worden verbroken.
30 Zijn nageslacht zal altijd blijven bestaan
en zijn troon is onaantastbaar.
31 Als zijn zonen mijn wetten negeren
en niet meer leven volgens mijn leefregels,
32 als zij mijn voorschriften ontwijden
en mijn geboden niet meer houden,
33 zal Ik hen straffen en allerlei plagen sturen.
34 Maar mijn goedheid en liefde voor hem
blijven onveranderd, Ik blijf hem trouw.
35 En ook mijn verbond met hem
blijf Ik trouw, dat is Mij heilig.
Wat Ik heb beloofd, zal Ik doen.
36 Ik heb het immers eens bij Mij Zelf gezworen!
Ik kan David niet in de steek laten.
37 Zijn nageslacht zal altijd voortleven
en zijn troon is onwankelbaar, net als de zon.
38 Net als de maan zal hij er altijd zijn,
want Hij die vanuit de hemel getuigt, is trouw.’
39 Maar toch hebt U uw uitverkorene
van U weggedaan en hem verworpen.
U bent boos op hem geworden.
40 U hebt uw verbond met uw dienaar vernietigd
en hem de kroon van het hoofd gestoten.
41 Zijn muren hebt U afgebroken
en zijn sterke burchten tot puin gemaakt.
42 Mensen die langskwamen
hebben zijn bezittingen geplunderd.
Zijn buren dreven de spot met hem.
43 Zijn tegenstanders bleken sterker
en zijn vijanden overwonnen hem.
44 Ook zijn zwaard gaf hem geen overwinning
en hij moest zich in de oorlogen gewonnen geven.
45 Er was geen eer meer voor hem over
en zijn troon hebt U omver geworpen.
46 Hij werd vroeg oud en werd met schande overladen.
47 Moet dit nog lang duren, Here?
Blijft U Zich voor mij verbergen?
Blijft uw toorn branden als het heetste vuur?
48 Denk er alstublieft aan
dat ik maar een vergankelijk mens ben.
U hebt de mensen Zelf geschapen,
dus U weet hoe kort zij leven.
49 Er is immers geen mens die niet zal sterven?
Niemand kan toch ontkomen aan het dodenrijk?
50 Waar zijn nu de blijken van uw genade, Here?
U hebt die eens aan ons toegezegd,
zelfs met een eed aan David gezworen.
51 Kijk toch, Here, hoe uw dienaren worden bespot
en hoe alle volken ons uitlachen.
52 Hoe ook uw tegenstanders de spot met ons drijven, Here.
Zij drijven de spot met hem die door U tot koning is gezalfd!
53 Alle lof en eer is voor de Here, tot in eeuwigheid.
Laat ieder die dit hoort daarmee instemmen.
Amen.