The Message

Psalm 40

A David Psalm

11-3 I waited and waited and waited for God.
    At last he looked; finally he listened.
He lifted me out of the ditch,
    pulled me from deep mud.
He stood me up on a solid rock
    to make sure I wouldn’t slip.
He taught me how to sing the latest God-song,
    a praise-song to our God.
More and more people are seeing this:
    they enter the mystery,
    abandoning themselves to God.

4-5 Blessed are you who give yourselves over to God,
    turn your backs on the world’s “sure thing,”
    ignore what the world worships;
The world’s a huge stockpile
    of God-wonders and God-thoughts.
Nothing and no one
    comes close to you!
I start talking about you, telling what I know,
    and quickly run out of words.
Neither numbers nor words
    account for you.

Doing something for you, bringing something to you—
    that’s not what you’re after.
Being religious, acting pious—
    that’s not what you’re asking for.
You’ve opened my ears
    so I can listen.

7-8 So I answered, “I’m coming.
    I read in your letter what you wrote about me,
And I’m coming to the party
    you’re throwing for me.”
That’s when God’s Word entered my life,
    became part of my very being.

9-10 I’ve preached you to the whole congregation,
    I’ve kept back nothing, God—you know that.
I didn’t keep the news of your ways
    a secret, didn’t keep it to myself.
I told it all, how dependable you are, how thorough.
    I didn’t hold back pieces of love and truth
For myself alone. I told it all,
    let the congregation know the whole story.

11-12 Now God, don’t hold out on me,
    don’t hold back your passion.
Your love and truth
    are all that keeps me together.
When troubles ganged up on me,
    a mob of sins past counting,
I was so swamped by guilt
    I couldn’t see my way clear.
More guilt in my heart than hair on my head,
    so heavy the guilt that my heart gave out.

13-15 Soften up, God, and intervene;
    hurry and get me some help,
So those who are trying to kidnap my soul
    will be embarrassed and lose face,
So anyone who gets a kick out of making me miserable
    will be heckled and disgraced,
So those who pray for my ruin
    will be booed and jeered without mercy.

16-17 But all who are hunting for you—
    oh, let them sing and be happy.
Let those who know what you’re all about
    tell the world you’re great and not quitting.
And me? I’m a mess. I’m nothing and have nothing:
    make something of me.
You can do it; you’ve got what it takes—
    but God, don’t put it off.

Het Boek

Psalmen 40

1Een psalm van David voor de koordirigent.

Met verlangen keek ik uit naar de Here.
Toen boog Hij Zich naar mij toe
en hoorde mijn roepen om hulp.
Hij trok mij omhoog
uit de diepte van de zonde
en uit de modder van de wereld.
Hij zette mij stevig op mijn voeten,
op een rots.
Dankzij Hem wankel ik niet meer.
Hij leerde mij een nieuw lied,
een lofzang voor onze God.
Ik hoop dat velen het merken
en ook ontzag voor de Here zullen krijgen.
Dat zij ook op Hem gaan vertrouwen.
Gelukkig is de mens
die zijn vertrouwen op de Here stelt
en die zich niet wendt tot trotse mensen of leugenaars.
Here, mijn God,
uw wonderen zijn ontelbaar,
uw zorg voor ons is groot.
Niets is met U te vergelijken.
Als ik over uw wonderen en zorgen zou willen vertellen,
zou ik niet weten waar ik moest beginnen.
Het gaat U niet om offers of geschenken,
U vraagt niet om brandoffers
of offers om zonden weg te nemen.
Voor U telt mijn gehoorzaamheid.
Toen zei ik:
‘Hier ben ik,
in de wet werd al over mij geschreven.
Mijn hele hart verlangt ernaar
uw wil te doen, mijn God.
Uw wet is mijn leven.’
10 Ik vertel de blijde boodschap
van uw liefde en rechtvaardigheid
in de samenkomsten.
U weet Here, dat ik niet zal nalaten
over U te spreken.
11 Ik verzwijg uw rechtvaardigheid niet
en spreek over uw trouw en bewaring.
Aan grote groepen mensen vertel ik
over uw goedheid en liefde en waarheid.
12 Laat mij ruimschoots delen
in uw medelijden.
Laten uw goedheid en waarheid
mij voortdurend beschermen.
13 Want er komen talloze rampen over mij heen,
mijn zonden overweldigen mij
en ik weet er geen raad mee.
Het zijn er zoveel,
de moed zakt mij in de schoenen.
14 Here, wilt U mij redden?
Haast U en help mij, Here!
15 Laten zij die mij naar het leven staan,
zich diep schamen en afdruipen.
Laten zij die mij in het ongeluk willen storten,
terugdeinzen en belachelijk worden gemaakt.
16 Laten zij die mij uitlachen
met stomheid geslagen worden.
17 Laten alle mensen die U zoeken
over U jubelen
en grote blijdschap over U hebben.
Laat ieder die uw zorg ervaart zeggen:
‘De Here is groot!’
18 Al bezit ik niets
en zit ik diep in de ellende,
toch denkt de Here aan mij.
Mijn God,
U bent mijn helper en bevrijder.
Kom snel, mijn God.