The Message

Psalm 102

A Prayer of One Whose Life Is Falling to Pieces, and Who Lets God Know Just How Bad It Is

11-2 God, listen! Listen to my prayer,
    listen to the pain in my cries.
Don’t turn your back on me
    just when I need you so desperately.
Pay attention! This is a cry for help!
    And hurry—this can’t wait!

3-11 I’m wasting away to nothing,
    I’m burning up with fever.
I’m a ghost of my former self,
    half-consumed already by terminal illness.
My jaws ache from gritting my teeth;
    I’m nothing but skin and bones.
I’m like a buzzard in the desert,
    a crow perched on the rubble.
Insomniac, I twitter away,
    mournful as a sparrow in the gutter.
All day long my enemies taunt me,
    while others just curse.
They bring in meals—casseroles of ashes!
    I draw drink from a barrel of my tears.
And all because of your furious anger;
    you swept me up and threw me out.
There’s nothing left of me—
    a withered weed, swept clean from the path.

12-17 Yet you, God, are sovereign still,
    always and ever sovereign.
You’ll get up from your throne and help Zion—
    it’s time for compassionate help.
Oh, how your servants love this city’s rubble
    and weep with compassion over its dust!
The godless nations will sit up and take notice
    —see your glory, worship your name—
When God rebuilds Zion,
    when he shows up in all his glory,
When he attends to the prayer of the wretched.
    He won’t dismiss their prayer.

18-22 Write this down for the next generation
    so people not yet born will praise God:
God looked out from his high holy place;
    from heaven he surveyed the earth.
He listened to the groans of the doomed,
    he opened the doors of their death cells.”
Write it so the story can be told in Zion,
    so God’s praise will be sung in Jerusalem’s streets
And wherever people gather together
    along with their rulers to worship him.

23-28 God sovereignly brought me to my knees,
    he cut me down in my prime.
“Oh, don’t,” I prayed, “please don’t let me die.
    You have more years than you know what to do with!
You laid earth’s foundations a long time ago,
    and handcrafted the very heavens;
You’ll still be around when they’re long gone,
    threadbare and discarded like an old suit of clothes.
You’ll throw them away like a worn-out coat,
    but year after year you’re as good as new.
Your servants’ children will have a good place to live
    and their children will be at home with you.”

Het Boek

Psalmen 102

1Deze psalm is het gebed van iemand die in diepe ellende zit, geen raad meer weet en zijn hart uitstort bij de Here.

Here, luister toch naar mijn gebed,
ik bid dat mijn hulpgeroep U bereikt.
Verberg U niet voor mij,
nu het mij allemaal te veel wordt,
luister toch naar mij.
Antwoord mij toch snel, nu ik U roep.
Want ik word zo snel oud
en mijn botten doen zeer, zij gloeien.
Mijn hart is dor als dood gras
en alle eetlust is verdwenen.
Door al mijn verdriet
voel ik mij lichamelijk een wrak.
Ik voel mij als een pelikaan in de woestijn, hulpeloos.
Alsof ik een steenuil ben die in de ruïnes zit.
Ik kan niet slapen en lijk op een vogel, alleen op een dak.
Mijn tegenstanders bespotten mij voortdurend.
Mijn naam geldt als een vloek
voor wie mijn bloed wel kunnen drinken.
10 Ik eet as in plaats van brood
en mijn tranen mengen zich met het water dat ik drink.
11 Dat komt allemaal doordat U
uw toorn en ergernis over mij hebt uitgegoten,
eerst nam U mij op
en toen gooide U mij weer neer.
12 Mijn dagen zijn stil en duister
en ik verga.
13 Here, U heerst echter tot in eeuwigheid.
Uw naam zal nooit worden uitgewist en blijft altijd bestaan.
14 Eens zult U Zich over Jeruzalem komen ontfermen.
De tijd is aangebroken om uw stad genade te geven.
15 Uw dienaren houden van deze stad
en hebben medelijden met de puinhopen die er liggen.
16 Dan zullen alle volken ter wereld
eerbied en ontzag hebben voor de naam van de Here.
Alle heersers
zullen uw grootheid erkennen.
17 Dan zal de Here Jeruzalem herbouwen
en er met zijn grootheid en macht gaan wonen.
18 Dan zal Hij de gebeden van de armen aanhoren
en Zich tot hen overbuigen.
19 Laten we dit opschrijven voor de komende generaties.
Het volk dat dan leeft, zal de Here prijzen.
20 Want de Here heeft hoog vanuit zijn heilige hemel
neergezien op de aarde.
21 Hij hoorde het klagen en huilen van de gevangenen
en bevrijdde hen die ten dode waren opgeschreven.
22 Daarom zal men in Jeruzalem over de Here vertellen
en zijn naam groot maken.
23 Dan zullen alle volken en koninkrijken bij elkaar komen
en de Here dienen.
24 Halverwege mijn leven heeft Hij mijn kracht afgenomen.
Ik leef nog maar kort.
25 Ik zeg tegen Hem:
mijn God, laat mij nog niet sterven,
ik ben nog veel te jong.
Maar U bestaat al eeuwen.
26 In het begin hebt U de aarde gemaakt
en ook de hemel was uw werk.
27 Dit alles zal eenmaal verdwijnen,
maar U blijft altijd aanwezig.
Alles slijt weg als oude kleren,
28 maar U blijft dezelfde.
Aan uw bestaan komt geen einde.
29 De nakomelingen van uw dienaren kunnen veilig leven.
Het volk dat uit hen voortkomt,
zal altijd veilig onder uw hoede blijven.