The Message

Luke 10

Lambs in a Wolf Pack

11-2 Later the Master selected seventy and sent them ahead of him in pairs to every town and place where he intended to go. He gave them this charge:

“What a huge harvest! And how few the harvest hands. So on your knees; ask the God of the Harvest to send harvest hands.

“On your way! But be careful—this is hazardous work. You’re like lambs in a wolf pack.

“Travel light. Comb and toothbrush and no extra luggage.

“Don’t loiter and make small talk with everyone you meet along the way.

5-6 “When you enter a home, greet the family, ‘Peace.’ If your greeting is received, then it’s a good place to stay. But if it’s not received, take it back and get out. Don’t impose yourself.

“Stay at one home, taking your meals there, for a worker deserves three square meals. Don’t move from house to house, looking for the best cook in town.

8-9 “When you enter a town and are received, eat what they set before you, heal anyone who is sick, and tell them, ‘God’s kingdom is right on your doorstep!’

10-12 “When you enter a town and are not received, go out in the street and say, ‘The only thing we got from you is the dirt on our feet, and we’re giving it back. Did you have any idea that God’s kingdom was right on your doorstep?’ Sodom will have it better on Judgment Day than the town that rejects you.

13-14 “Doom, Chorazin! Doom, Bethsaida! If Tyre and Sidon had been given half the chances given you, they’d have been on their knees long ago, repenting and crying for mercy. Tyre and Sidon will have it easy on Judgment Day compared to you.

15 “And you, Capernaum! Do you think you’re about to be promoted to heaven? Think again. You’re on a mudslide to hell.

16 “The one who listens to you, listens to me. The one who rejects you, rejects me. And rejecting me is the same as rejecting God, who sent me.”

17 The seventy came back triumphant. “Master, even the demons danced to your tune!”

18-20 Jesus said, “I know. I saw Satan fall, a bolt of lightning out of the sky. See what I’ve given you? Safe passage as you walk on snakes and scorpions, and protection from every assault of the Enemy. No one can put a hand on you. All the same, the great triumph is not in your authority over evil, but in God’s authority over you and presence with you. Not what you do for God but what God does for you—that’s the agenda for rejoicing.”

21 At that, Jesus rejoiced, exuberant in the Holy Spirit. “I thank you, Father, Master of heaven and earth, that you hid these things from the know-it-alls and showed them to these innocent newcomers. Yes, Father, it pleased you to do it this way.

22 “I’ve been given it all by my Father! Only the Father knows who the Son is and only the Son knows who the Father is. The Son can introduce the Father to anyone he wants to.”

23-24 He then turned in a private aside to his disciples. “Fortunate the eyes that see what you’re seeing! There are plenty of prophets and kings who would have given their right arm to see what you are seeing but never got so much as a glimpse, to hear what you are hearing but never got so much as a whisper.”

Defining “Neighbor”

25 Just then a religion scholar stood up with a question to test Jesus. “Teacher, what do I need to do to get eternal life?”

26 He answered, “What’s written in God’s Law? How do you interpret it?”

27 He said, “That you love the Lord your God with all your passion and prayer and muscle and intelligence—and that you love your neighbor as well as you do yourself.”

28 “Good answer!” said Jesus. “Do it and you’ll live.”

29 Looking for a loophole, he asked, “And just how would you define ‘neighbor’?”

30-32 Jesus answered by telling a story. “There was once a man traveling from Jerusalem to Jericho. On the way he was attacked by robbers. They took his clothes, beat him up, and went off leaving him half-dead. Luckily, a priest was on his way down the same road, but when he saw him he angled across to the other side. Then a Levite religious man showed up; he also avoided the injured man.

33-35 “A Samaritan traveling the road came on him. When he saw the man’s condition, his heart went out to him. He gave him first aid, disinfecting and bandaging his wounds. Then he lifted him onto his donkey, led him to an inn, and made him comfortable. In the morning he took out two silver coins and gave them to the innkeeper, saying, ‘Take good care of him. If it costs any more, put it on my bill—I’ll pay you on my way back.’

36 “What do you think? Which of the three became a neighbor to the man attacked by robbers?”

37 “The one who treated him kindly,” the religion scholar responded.

Jesus said, “Go and do the same.”

Mary and Martha

38-40 As they continued their travel, Jesus entered a village. A woman by the name of Martha welcomed him and made him feel quite at home. She had a sister, Mary, who sat before the Master, hanging on every word he said. But Martha was pulled away by all she had to do in the kitchen. Later, she stepped in, interrupting them. “Master, don’t you care that my sister has abandoned the kitchen to me? Tell her to lend me a hand.”

41-42 The Master said, “Martha, dear Martha, you’re fussing far too much and getting yourself worked up over nothing. One thing only is essential, and Mary has chosen it—it’s the main course, and won’t be taken from her.”

Het Boek

Lukas 10

De zeventig leerlingen

1Jezus wees nog zeventig andere leerlingen aan. Hij stuurde hen twee aan twee vooruit naar de dorpen en steden waar Hij langs zou komen. Hij zei tegen hen: ‘Vraag God meer arbeiders te sturen om de oogst binnen te halen. Want er moet veel geoogst worden, maar er zijn te weinig arbeiders. Ga dan en vergeet niet dat Ik jullie er op uitstuur als lammeren tussen de wolven. Neem geen geld mee, geen tas en zelfs geen extra sandalen. Laat je niet ophouden door iemand te groeten. Breng vrede in elk huis dat je binnengaat. Woont daar een vredelievend man, dan zal je vrede over hem komen. Zo niet, dan komt die vrede bij je terug. Wanneer je in een dorp komt, ga dan niet van het ene adres naar het andere. Blijf logeren in hetzelfde huis en eet en drink wat je wordt voorgezet. Een arbeider moet zijn loon hebben. Als jullie in een stad gastvrij worden ontvangen, moet je dit doen: eet zonder bezwaar wat je wordt voorgezet. Genees de zieken. En zeg tegen de mensen dat het Koninkrijk van God heel dichtbij is gekomen. 10 Maar als ze in een stad niets van jullie willen weten, ga dan door de straten en zeg: 11 “Kijk, dit is stof van jullie stad! Wij schudden het van onze voeten! Het is afgelopen met jullie! Vergeet nooit hoe dicht het Koninkrijk van God bij jullie is geweest!” 12 Op de vreselijke dag van het grote oordeel zal het voor zoʼn stad erger zijn dan voor het beruchte Sodom. 13 Och Chorazin! Och Betsaïda! Hoe verschrikkelijk is het! Want als de steden Tyrus en Sidon de geweldige wonderen hadden gezien die Ik bij u heb gedaan, dan zouden zij zich allang van de zonde hebben afgekeerd. Van berouw over hun slechte leven zouden zij in zak en as zitten. 14 Nee, voor Tyrus en Sidon zal het op de dag van het grote oordeel niet zo zwaar zijn als voor u. 15 En wat moet Ik van Kafarnaüm zeggen? Zal het worden verheerlijkt tot in de hemel? Nee, het zal verzinken in het dodenrijk.’

16 Tegen zijn leerlingen zei Hij: ‘Wie naar jullie luistert, hoort Mij. Wie jullie negeert, negeert Mij. En wie Mij negeert, negeert God die Mij heeft gestuurd.’

17 Na verloop van tijd kwamen de zeventig leerlingen weer bij Hem terug. ‘Here,’ zeiden zij opgetogen, ‘als wij uw naam gebruiken, doen zelfs de boze geesten wat wij zeggen!’ 18 Hij antwoordde: ‘Ik zag Satan als een bliksemschicht uit de hemel vallen. 19 Ik heb jullie macht gegeven over al de krachten van de vijand. Jullie zullen slangen en schorpioenen vertrappen. Niets, werkelijk niets, zal jullie kwaad doen. 20 Maar jullie moeten niet zozeer blij zijn dat de boze geesten doen wat jullie zeggen. Waar jullie vooral blij om moeten zijn, is dat jullie namen in de hemel geregistreerd staan.’

21 Op dat moment bracht de Heilige Geest in Jezus een geweldige blijdschap teweeg. Hij sprak: ‘Vader! Heer van hemel en aarde! Dank U wel dat U de waarheid hebt verborgen voor wijzen en geleerden, maar aan kleine kinderen hebt bekendgemaakt. Dank U, Vader, zo hebt U het gewild. 22 Mijn Vader heeft Mij alles toevertrouwd. Niemand weet wie Ik ben, behalve de Vader. En niemand weet wie de Vader is, behalve Ik en de mensen aan wie Ik het wil bekendmaken.’

23 Daarna keek Hij zijn leerlingen aan en zei: ‘Het is een enorm voorrecht dat jullie dit allemaal mogen zien. 24 Vele profeten en koningen hebben ernaar verlangd te zien wat jullie zien en te horen wat jullie horen. Maar zij konden het niet.’

Het verhaal van de Samaritaan

25 Op een dag was er een bijbelgeleerde die wilde onderzoeken of Jezusʼ ideeën wel zuiver waren. ‘Meester,’ vroeg hij, ‘wat moet ik doen om eeuwig leven te krijgen?’ 26 Jezus vroeg: ‘Wat zegt de wet van Mozes daarover?’ 27 Hij antwoordde: ‘Heb de Here, uw God, lief met heel uw hart, met heel uw ziel, heel uw kracht en heel uw verstand. En heb uw naaste net zo lief als uzelf.’ 28 ‘Goed!’ zei Jezus. ‘Doe dat en u zult eeuwig leven krijgen.’ 29 De man voelde zich aangesproken. Om zich te rechtvaardigen, vroeg hij: ‘Wie is eigenlijk mijn medemens?’ 30 Als antwoord gaf Jezus hem dit voorbeeld: ‘Een man reisde van Jeruzalem naar Jericho. Onderweg werd hij door rovers overvallen. Zij rukten hem de kleren van het lijf, sloegen hem bont en blauw en lieten hem halfdood langs de weg liggen. 31 Toevallig kwam er een priester langs. Maar toen hij de man zag liggen, ging hij aan de overkant van de weg voorbij. 32 Een tempeldienaar die voorbijkwam, deed hetzelfde en liet de man gewoon liggen.

33 Gelukkig kwam er ook iemand langs die medelijden kreeg toen hij hem daar zag liggen. Het was een Samaritaan, een vijand van de Joden. 34 De Samaritaan knielde naast hem neer, verzorgde zijn wonden met olie en wijn en legde er verband om. Daarna tilde hij hem op zijn ezel en ging er zelf naast lopen. Zij kwamen bij een herberg, waar hij hem verder verzorgde. 35 De volgende morgen gaf hij de herbergier twee zilveren munten en zei: “Zorg goed voor hem. Mocht dit geld niet genoeg zijn, dan betaal ik de rest de volgende keer wel.” 36 Wat denkt u? Wie van deze drie was de medemens van het slachtoffer van de roofoverval?’ 37 ‘De man die medelijden met hem had,’ was het antwoord. ‘Precies,’ zei Jezus. ‘Volg zijn voorbeeld dan.’

Martha en Maria

38 Tijdens hun reis naar Jeruzalem kwamen Jezus en zijn leerlingen in een dorp waar zij gastvrij werden ontvangen door een zekere Martha. 39 De zuster van deze vrouw, Maria, ging meteen bij Jezus zitten om naar Hem te luisteren. 40 Maar Martha had het veel te druk met het klaarmaken van het eten. Op een gegeven ogenblik werd het haar teveel. Zij kwam bij Jezus staan en zei: ‘Here, hoe kunt U het goed vinden dat mijn zuster hier maar zit en ik al het werk moet doen! Zeg toch tegen haar dat zij mij moet helpen.’ 41 ‘Martha, Martha,’ antwoordde Jezus. ‘Wat maak je je toch druk! In het leven heb je niet zoveel nodig. 42 Eigenlijk maar één ding. Maria heeft dat ene ontdekt en het zal haar niet worden afgenomen.’