The Message

John 1

The Life-Light

11-2 The Word was first,
the Word present to God,
    God present to the Word.
The Word was God,
    in readiness for God from day one.

3-5 Everything was created through him;
    nothing—not one thing!—
    came into being without him.
What came into existence was Life,
    and the Life was Light to live by.
The Life-Light blazed out of the darkness;
    the darkness couldn’t put it out.

6-8 There once was a man, his name John, sent by God to point out the way to the Life-Light. He came to show everyone where to look, who to believe in. John was not himself the Light; he was there to show the way to the Light.

9-13 The Life-Light was the real thing:
    Every person entering Life
    he brings into Light.
He was in the world,
    the world was there through him,
    and yet the world didn’t even notice.
He came to his own people,
    but they didn’t want him.
But whoever did want him,
    who believed he was who he claimed
    and would do what he said,
He made to be their true selves,
    their child-of-God selves.
These are the God-begotten,
    not blood-begotten,
    not flesh-begotten,
    not sex-begotten.

14 The Word became flesh and blood,
    and moved into the neighborhood.
We saw the glory with our own eyes,
    the one-of-a-kind glory,
    like Father, like Son,
Generous inside and out,
    true from start to finish.

15 John pointed him out and called, “This is the One! The One I told you was coming after me but in fact was ahead of me. He has always been ahead of me, has always had the first word.”

16-18 We all live off his generous bounty,
        gift after gift after gift.
    We got the basics from Moses,
        and then this exuberant giving and receiving,
    This endless knowing and understanding—
        all this came through Jesus, the Messiah.
    No one has ever seen God,
        not so much as a glimpse.
    This one-of-a-kind God-Expression,
        who exists at the very heart of the Father,
        has made him plain as day.

Thunder in the Desert

19-20 When Jews from Jerusalem sent a group of priests and officials to ask John who he was, he was completely honest. He didn’t evade the question. He told the plain truth: “I am not the Messiah.”

21 They pressed him, “Who, then? Elijah?”

“I am not.”

“The Prophet?”

“No.”

22 Exasperated, they said, “Who, then? We need an answer for those who sent us. Tell us something—anything!—about yourself.”

23 “I’m thunder in the desert: ‘Make the road straight for God!’ I’m doing what the prophet Isaiah preached.”

24-25 Those sent to question him were from the Pharisee party. Now they had a question of their own: “If you’re neither the Messiah, nor Elijah, nor the Prophet, why do you baptize?”

26-27 John answered, “I only baptize using water. A person you don’t recognize has taken his stand in your midst. He comes after me, but he is not in second place to me. I’m not even worthy to hold his coat for him.”

28 These conversations took place in Bethany on the other side of the Jordan, where John was baptizing at the time.

The God-Revealer

29-31 The very next day John saw Jesus coming toward him and yelled out, “Here he is, God’s Passover Lamb! He forgives the sins of the world! This is the man I’ve been talking about, ‘the One who comes after me but is really ahead of me.’ I knew nothing about who he was—only this: that my task has been to get Israel ready to recognize him as the God-Revealer. That is why I came here baptizing with water, giving you a good bath and scrubbing sins from your life so you can get a fresh start with God.”

32-34 John clinched his witness with this: “I watched the Spirit, like a dove flying down out of the sky, making himself at home in him. I repeat, I know nothing about him except this: The One who authorized me to baptize with water told me, ‘The One on whom you see the Spirit come down and stay, this One will baptize with the Holy Spirit.’ That’s exactly what I saw happen, and I’m telling you, there’s no question about it: This is the Son of God.”

Come, See for Yourself

35-36 The next day John was back at his post with two disciples, who were watching. He looked up, saw Jesus walking nearby, and said, “Here he is, God’s Passover Lamb.”

37-38 The two disciples heard him and went after Jesus. Jesus looked over his shoulder and said to them, “What are you after?”

They said, “Rabbi” (which means “Teacher”), “where are you staying?”

39 He replied, “Come along and see for yourself.”

They came, saw where he was living, and ended up staying with him for the day. It was late afternoon when this happened.

40-42 Andrew, Simon Peter’s brother, was one of the two who heard John’s witness and followed Jesus. The first thing he did after finding where Jesus lived was find his own brother, Simon, telling him, “We’ve found the Messiah” (that is, “Christ”). He immediately led him to Jesus.

Jesus took one look up and said, “You’re John’s son, Simon? From now on your name is Cephas” (or Peter, which means “Rock”).

43-44 The next day Jesus decided to go to Galilee. When he got there, he ran across Philip and said, “Come, follow me.” (Philip’s hometown was Bethsaida, the same as Andrew and Peter.)

45-46 Philip went and found Nathanael and told him, “We’ve found the One Moses wrote of in the Law, the One preached by the prophets. It’s Jesus, Joseph’s son, the one from Nazareth!” Nathanael said, “Nazareth? You’ve got to be kidding.”

But Philip said, “Come, see for yourself.”

47 When Jesus saw him coming he said, “There’s a real Israelite, not a false bone in his body.”

48 Nathanael said, “Where did you get that idea? You don’t know me.”

Jesus answered, “One day, long before Philip called you here, I saw you under the fig tree.”

49 Nathanael exclaimed, “Rabbi! You are the Son of God, the King of Israel!”

50-51 Jesus said, “You’ve become a believer simply because I say I saw you one day sitting under the fig tree? You haven’t seen anything yet! Before this is over you’re going to see heaven open and God’s angels descending to the Son of Man and ascending again.”

Het Boek

Johannes 1

Christus, het echte licht

1In het begin was het Woord en het Woord was bij God, en het Woord was God. Het Woord was bij God in het begin. Door het Woord is alles ontstaan en zonder het Woord is niets ontstaan van alles wat bestaat. In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in zijn macht kunnen krijgen.

Er kwam iemand die door God was gezonden, hij heette Johannes. Hij kwam om tegenover de mensen te getuigen van het licht en hen zo tot geloof te brengen. Johannes was niet zelf het licht maar degene die over het licht vertelde, het echte licht, dat in de wereld kwam om iedereen te verlichten. 10 Het Woord kwam in de wereld en heeft de wereld gemaakt, maar de wereld wilde niets van het Woord weten. 11 Hij kwam in zijn eigen land, maar zijn eigen volk heeft Hem niet aanvaard. 12 Maar allen die Hem wel aanvaard hebben en geloven in zijn Naam, heeft Hij het recht gegeven kinderen van God te worden. 13 Zij worden opnieuw geboren, niet op natuurlijke wijze of vanuit menselijk verlangen of omdat een mens dat wil, maar zij zijn uit God geboren. 14 Het Woord werd een mens en leefde een tijdlang onder ons. Hij was vol genade en waarheid en wij hebben gezien hoe groot Hij is, de enige Zoon van de hemelse Vader.

15 Johannes was zijn getuige en zei over Hem: ‘Dit is degene van wie ik zei dat er na mij Iemand zou komen die belangrijker is dan ik, omdat Hij er eerder was dan ik.’ 16 Uit de overvloed die Hij heeft, hebben wij allen genade op genade ontvangen. 17 Want Mozes heeft ons ooit de wet gegeven, maar Jezus Christus bracht ons genade en waarheid. 18 Niemand heeft ooit God gezien, maar zijn enige Zoon, die één met Hem is, heeft ons laten zien wie God is.

Johannes, getuige van Christus

19 De Joodse leiders stuurden priesters en tempeldienaars naar Johannes om te vragen wie hij was. 20 ‘Ik ben de Christus niet,’ zei hij hun in alle openheid. 21 ‘Wie dan wel?’ vroegen zij. ‘Elia?’ ‘Nee,’ antwoordde hij. ‘Bent u dan de profeet die komen zou?’ was hun volgende vraag. ‘Ook niet,’ zei Johannes. 22 ‘Maar wie bent u dan? Zeg het alstublieft, anders kunnen wij geen antwoord geven aan de mensen die ons gestuurd hebben.’ 23 Hij zei: ‘Ik ben de stem van iemand die in de woestijn roept: “Maak de weg vrij voor de Here!” De profeet Jesaja heeft dit gezegd.’ 24 Er stonden ook enkele Farizeeën bij, 25 die vroegen: ‘Als u de Christus niet bent en ook niet Elia of de profeet, waarom doopt u dan?’ 26 Johannes antwoordde: ‘Ik doop mensen met water. Maar in uw midden staat Hij die u nog niet kent. 27 Hij is degene die na mij komt, Hij is zo belangrijk dat ik het zelfs niet waard ben om de riem van zijn sandalen los te maken.’ 28 Dit gebeurde in Bethanië aan de overkant van de rivier de Jordaan, de plaats waar Johannes mensen doopte.

29 De volgende morgen zag hij Jezus aankomen. ‘Kijk,’ riep hij. ‘Het offerlam van God! Hij neemt de schuld van de wereld op Zich. 30 Hem bedoelde ik toen ik zei: “Na mij komt Iemand die belangrijker is dan ik, omdat Hij er eerder was dan ik.” 31 Ik kende Hem nog niet, maar ik ben gekomen om de mensen met water te dopen om Hem aan Israël bekend te maken. 32 Ik heb de Heilige Geest als een duif uit de hemel zien komen en Hij bleef op Jezus. 33 Toen wist ik nog niet dat Hij het was. Maar God had tegen mij gezegd: “Op wie u de Heilige Geest ziet neerdalen en blijven, dat is Hem. Hij zal de mensen dopen met de Heilige Geest.” 34 Nu ik dat gezien heb, ben ik ervan overtuigd dat Hij de Zoon van God is en wil ik daarvan getuigen tegenover de mensen.’

35 De volgende dag was Johannes op dezelfde plaats met twee van zijn leerlingen. 36 Hij zag Jezus voorbijgaan en zei: ‘Kijk, Hij is het Lam van God!’ 37 Toen zijn twee leerlingen dat hoorden, gingen zij Jezus achterna. 38 Jezus merkte dat zij Hem volgden. Hij keerde Zich om en vroeg: ‘Wat willen jullie?’ Zij vroegen: ‘Rabbi, waar woont U?’ Rabbi betekent leermeester. 39 ‘Kom maar kijken,’ zei Hij. Dus gingen zij met Hem mee, zagen waar Hij woonde en bleven de rest van de dag bij Hem. Dit gebeurde rond vier uur ʼs middags. 40 Een van deze twee mannen was Andreas, de broer van Simon Petrus. 41 Hij ontmoette zijn broer Simon en zei tegen hem: ‘Wij hebben de Messias gevonden.’ Messias betekent Christus, Gezalfde. 42 En hij bracht Simon bij Jezus. Jezus keek Simon aan en zei: ‘Jij bent Simon, de zoon van Johannes. Jij krijgt een andere naam, Ik noem je voortaan Kefas.’ Kefas betekent Petrus, rots.

43 De volgende dag besloot Jezus naar Galilea te gaan. Onderweg ontmoette Hij Filippus. ‘Kom,’ zei Hij, ‘ga met Mij mee.’ 44 Filippus kwam, net als Andreas en Petrus, uit Betsaïda. 45 Filippus ging naar Natanaël en zei tegen hem: ‘Wij hebben degene gevonden over wie Mozes en de profeten hebben geschreven. Hij heet Jezus en is de zoon van een zekere Jozef uit Nazareth.’ 46 ‘Uit Nazareth? Kan daar iets goeds vandaan komen?’ zei Natanaël. ‘Kom maar mee,’ antwoordde Filippus, ‘dan kun je Hem zien.’ 47 Toen Jezus Natanaël zag aankomen, zei Hij: ‘Kijk, een eerlijke, oprechte man, een echte Israëliet!’ 48 ‘Kent U mij dan?’ vroeg Natanaël verbaasd. Jezus antwoordde: ‘Voordat Filippus je vroeg mee te gaan, zag Ik je al onder de vijgeboom zitten.’ 49 ‘Meester,’ zei Natanaël, ‘U bent de Zoon van God! De koning van Israël!’ 50 Jezus antwoordde: ‘Dat geloof je omdat Ik zei dat Ik je onder de vijgeboom zag zitten? Je zult nog grotere daden zien! 51 Werkelijk, jullie zullen zelfs de hemel open zien en de engelen van God die heen en weer gaan tussen God en Mij, de Mensenzoon.’