The Message

2 Thessalonians 1

11-2 I, Paul, together with Silas and Timothy, greet the church of the Thessalonian Christians in the name of God our Father and our Master, Jesus Christ. Our God gives you everything you need, makes you everything you’re to be.

Justice Is on the Way

3-4 You need to know, friends, that thanking God over and over for you is not only a pleasure; it’s a must. We have to do it. Your faith is growing phenomenally; your love for each other is developing wonderfully. Why, it’s only right that we give thanks. We’re so proud of you; you’re so steady and determined in your faith despite all the hard times that have come down on you. We tell everyone we meet in the churches all about you.

5-10 All this trouble is a clear sign that God has decided to make you fit for the kingdom. You’re suffering now, but justice is on the way. When the Master Jesus appears out of heaven in a blaze of fire with his strong angels, he’ll even up the score by settling accounts with those who gave you such a bad time. His coming will be the break we’ve been waiting for. Those who refuse to know God and refuse to obey the Message will pay for what they’ve done. Eternal exile from the presence of the Master and his splendid power is their sentence. But on that very same day when he comes, he will be exalted by his followers and celebrated by all who believe—and all because you believed what we told you.

11-12 Because we know that this extraordinary day is just ahead, we pray for you all the time—pray that our God will make you fit for what he’s called you to be, pray that he’ll fill your good ideas and acts of faith with his own energy so that it all amounts to something. If your life honors the name of Jesus, he will honor you. Grace is behind and through all of this, our God giving himself freely, the Master, Jesus Christ, giving himself freely.

Het Boek

2 Thessalonicenzen 1

Het geloof en de liefde van de Thessalonicenzen

1Van: Paulus, Silvanus en Timotheüs. Aan: de gemeente in de stad Thessalonica, die toebehoort aan God, onze Vader, en aan de Here Jezus Christus.

Wij wensen u de genade en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus toe. Broeders en zusters, wij moeten God altijd voor u danken, omdat daar alle reden toe is. Want uw geloof wordt steeds sterker en de liefde die u voor elkaar hebt, neemt dag aan dag toe. Wij vertellen de andere gemeenten van God vol trots hoe geweldig u volhoudt en hoe sterk uw geloof is, ondanks alle vervolgingen en moeilijkheden die u te verduren krijgt.

Daaruit blijkt dat God rechtvaardig in zijn oordeel is, want u die ter wille van Hem lijdt, zult zeker in zijn Koninkrijk komen. Hij zal de mensen straffen voor wat zij u aandoen. Dat is rechtvaardig. En het is ook rechtvaardig dat Hij u, die het nu moeilijk hebt, uit de nood zal helpen, net als ons. Dat zal gebeuren wanneer de Here Jezus met zijn sterke engelen uit de hemel komt en in een laaiend vuur laat zien wie Hij is. Dan zal Hij allen straffen die niets van God willen weten en hun oren dichthouden voor het goede nieuws van onze Here Jezus. Hun straf zal de eeuwige veroordeling zijn. Zij zullen voorgoed van de Here en zijn ontzagwekkende macht gescheiden worden. 10 Dat zal gebeuren op de grote dag, waarop Hij komt om geëerd te worden te midden van hen die Hem toebehoren en bewonderd te worden te midden van hen die op Hem vertrouwd hebben. En u zult daarbij zijn, omdat u hebt geloofd wat wij u over Hem hebben verteld.

11 Daarom blijven wij voor u bidden dat u het waard zult zijn dat God u geroepen heeft. Wij bidden dat Hij u zijn kracht schenkt zodat u al uw goede voornemens kunt uitvoeren en u alles wat u in geloof onderneemt tot een goed einde kunt brengen. 12 Daardoor zal in u onze Here Jezus geëerd en geprezen worden, en u zelf ook, omdat u één met Hem bent. Dit alles is mogelijk door de genade van God en van onze Here Jezus Christus.