The Message

1 Chronicles 1

Israel’s Family Tree: The Trunk

11-4 Adam

Seth

Enosh

Kenan

Mahalalel

Jared

Enoch

Methuselah

Lamech

Noah

Shem, Ham, and Japheth.

The Japheth Branch

Japheth had Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Meshech, and Tiras.

Gomer had Ashkenaz, Riphath, and Togarmah.

Javan had Elisha, Tarshish, Kittim, and Rodanim.

The Ham Branch

Ham had Cush, Mizraim, Put, and Canaan.

Cush had Seba, Havilah, Sabta, Raamah, and Sabteca.

Raamah had Sheba and Dedan.

10 Cush had Nimrod, the first great hero on earth.

11-12 Mizraim was ancestor to the Ludim, the Anamim, the Lehabim, the Naphtuhim, the Pathrusim, the Casluhim, and the Caphtorim from whom the Philistines descended.

13-16 Canaan had Sidon (his firstborn) and Heth, and was ancestor to the Jebusites, the Amorites, the Girgashites, the Hivites, the Arkites, the Sinites, the Arvadites, the Zemarites, and the Hamathites.

The Shem Branch

17 Shem had Elam, Asshur, Arphaxad, Lud, Aram, Uz, Hul, Gether, and Meshech.

18-19 Arphaxad had Shelah and Shelah had Eber. Eber had two sons: Peleg (Division) because in his time the earth was divided up; his brother was Joktan.

20-23 Joktan had Almodad, Sheleph, Hazarmaveth, Jerah, Hadoram, Uzal, Diklah, Ebal, Abimael, Sheba, Ophir, Havilah, and Jobab—all sons of Joktan.

24-28 The three main branches in summary: Shem, Arphaxad, Shelah, Eber, Peleg, Reu, Serug, Nahor, Terah, and Abram (Abraham). And Abraham had Isaac and Ishmael.

The Family of Abraham

29-31 Abraham’s family tree developed along these lines: Ishmael had Nebaioth (his firstborn), then Kedar, Adbeel, Mibsam, Mishma, Dumah, Massa, Hadad, Tema, Jetur, Naphish, and Kedemah—the Ishmael branch.

32-33 Keturah, Abraham’s concubine, gave birth to Zimran, Jokshan, Medan, Midian, Ishbak, and Shuah. Then Jokshan had Sheba and Dedan. And Midian had Ephah, Epher, Hanoch, Abida, and Eldaah. These made up the Keturah branch.

34-37 Abraham had Isaac, and Isaac had Esau and Israel (Jacob). Esau had Eliphaz, Reuel, Jeush, Jalam, and Korah. Eliphaz had Teman, Omar, Zepho, Gatam, Kenaz, Timna, and Amalek. And Reuel had Nahath, Zerah, Shammah, and Mizzah.

38-42 Seir then had Lotan, Shobal, Zibeon, Anah, Dishon, Ezer, and Dishan. Lotan had Hori and Homam. Timna was Lotan’s sister. Shobal had Alian, Manahath, Ebal, Shepho, and Onam. Zibeon had Aiah and Anah. Anah had Dishon. Dishon had Hemdan, Eshban, Ithran, and Keran. Ezer had Bilhan, Zaavan, and Akan. And Dishan had Uz and Aran.

The Edomite King List

43-51 A list of the kings who ruled in the country of Edom before Israel had a king:

Bela son of Beor; his city was Dinhabah.

Bela died; Jobab son of Zerah from Bozrah was the next king.

Jobab died; Husham from the country of the Temanites was the next king.

Husham died; Hadad son of Bedad, who defeated Midian in the country of Moab, was the next king; his city was Avith.

Hadad died; Samlah from Masrekah was the next king.

Samlah died; Shaul from Rehoboth-by-the-River was the next king.

Shaul died; Baal-Hanan son of Acbor was the next king.

Baal-Hanan died; Hadad was the next king; his city was Pau and his wife was Mehetabel daughter of Matred, the daughter of Me-Zahab.

Last of all Hadad died.

51-54 The chieftains of Edom after that were Chief Timna, Chief Alvah, Chief Jetheth, Chief Oholibamah, Chief Elah, Chief Pinon, Chief Kenaz, Chief Teman, Chief Mibzar, Chief Magdiel, and Chief Iram. These were the chieftains of Edom.

Het Boek

1 Kronieken 1:1-54

Historisch overzicht

1Dit zijn de vroegste generaties van de mensheid: Adam, Set, Enos, 2Kenan, 3Mahalalel, Jered, Henoch, Metuselach, 4Lamech, Noach, Sem, Cham en Jafet. 5De zonen van Jafet waren Gomer, Magog, Madai, Jawan, Tubal, Mesech en Tiras. 6De zonen van Gomer waren Askenaz, Difat en Togarma. 7De zonen van Jawan waren Elisa, Tarsis, de Kittiërs en de Rodanieten. 8De zonen van Cham waren Kus, Misraïm, Put en Kanaän. 9De zonen van Kus waren Seba, Chawila, Sabta, Rama en Sabtecha. De zonen van Rama waren Seba en Dedan. 10Nimrod, die later een beroemde held werd, was ook een zoon van Kus. 11De families die naar de zonen van Misraïm werden genoemd, waren de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, 12de Naftuchieten, de Patrusieten, de Kashluchieten, de voorvaders van de Filistijnen, en de Kretenzers. 13Onder Kanaäns zonen bevonden zich ook zijn oudste zoon Sidon en Chet. 14Kanaän was tevens de voorvader van de Jebusieten, de Amorieten, de Girgasieten, 15de Chiwwieten, de Arkieten, de Sinieten, 16de Arwadieten, de Semarieten en de Hamatieten. 17De zonen van Sem waren Elam, Assur, Arpachsad, Lud, Aram, Us, Chul, Geter en Mesech. 18Arpachsads zoon was Selach en Selachs zoon was Eber. 19Eber had twee zonen: Peleg, die zo heette omdat tijdens zijn leven de aarde werd verdeeld, en zijn broer Joktan. 20De zonen van Joktan waren Almodad, 21Selef, Chasarmawet, Jerach, Hadoram, 22Uzal, Dikla, Ebal, Abimaël, 23Seba, Ofir, Chawila en Jobab. 24De zoon van Sem was Arpachsad, de zoon van Arpachsad was Selach, 25de zoon van Selach was Eber, 26de zoon van Eber was Peleg, de zoon van Peleg was Reü, de zoon van Reü was Serug, de zoon van Serug was Nachor, 27de zoon van Nachor was Terach, de zoon van Terach was Abram, die later Abraham werd genoemd.

28Abrahams zonen waren Isaak en Ismaël. 29De zonen van Ismaël waren Nebajot, de oudste, Kedar, 30Adbeël, Mibsam, Misma, Duma, Massa, Chadad, Tema, 31Jetur, Nafis en Kedema. 32Abraham kreeg ook zonen van zijn bijvrouw Ketura. Dat waren achtereenvolgens Zimran, Joksan, Medan, Midjan, Jisbak en Suach. Joksans zonen waren Seba en Dedan. 33De zonen van Midjan waren Efa, Efer, Chanoch, Abida en Eldaä. Dit waren de nakomelingen die Abrahams bijvrouw Ketura hem gaf.

34Abrahams zoon Isaak had twee zonen: Esau en Israël. 35De zonen van Esau waren Elifaz, Reüel, Jeüs, Jalam en Korach. 36De zonen van Elifaz waren Teman, Omar, Zefi, Gatam, Kenaz, Timna en Amalek. 37De zonen van Reüel waren Nachat, Zerach, Samma en Mizza. 38Tot de zonen van Esau behoorden tevens Lotan, Sobal, Sibon, Ana, Dison, Eser en Disan. Lotans zonen waren: Chori en Homam. 39Lotan had ook nog een zuster, die Timna heette. 40De zonen van Sobal waren Aljan, Manachat, Ebal, Sefi en Onam. Sibons zonen waren Ajja en Ana. 41De zoon van Ana was Dison en deze Dison had de volgende zonen: Chamran, Esban, Jitran en Keran. 42De zonen van Eser waren Bilhan, Zaäwan en Jaäkan. Disan had twee zonen: Us en Aran.

43Hier volgen de namen van de koningen van Edom, die regeerden voordat een koning over Israël regeerde: Bela, de zoon van Beor, die in de stad Dinhaba woonde. 44Na de dood van Bela werd Jobab, de zoon van Zerach uit Bosra, de nieuwe koning. 45Toen Jobab stierf, volgde Chusam uit de streek van de Temanieten, hem op. 46Na diens dood werd Hadad, de zoon van Bedad, koning. Hij regeerde vanuit de stad Awit. Hij was het die het leger van Midjan in de velden van Moab versloeg. 47Na de dood van Hadad besteeg Samla uit Masreka de troon. 48Na Samlaʼs overlijden kwam Saul uit de aan de rivier gelegen stad Rechobot aan de macht. 49Toen Saul stierf, stond Baäl-Chanan, de zoon van Achbor, klaar om hem op te volgen. 50Na de dood van Baäl-Chanan werd Hadad koning en regeerde vanuit de stad Paï. Zijn vrouw heette Mehetabel, zij was een dochter van Matred en een kleindochter van Me-Zahab. 51-54Na Hadads dood waren de volgende mannen de stamhoofden van Edom: Timna, Alja, Jetet, Oholibama, Ela, Pinon, Kenaz, Teman, Mibsar, Magdiël en Iram.