Korean Living Bible

시편 129

이스라엘의 원수에 대한 기도

(성전에 올라가는 노래)

1이스라엘이 말한다.
“내가 어렸을 때부터
내 원수들이 나를
몹시 괴롭게 하였다.
그들이 나를 무척 괴롭혔으나
나를 이기지 못하였다.
그들이 밭을 갈듯이 내 등을 갈아
긴 이랑을 만들었으나
여호와는 의로우신 분이시므로
나를 잡아맨 악인의 줄을
끊어 버리셨다.”

시온을 미워하는 자들은
다 수치를 당하고
물러가기를 원하노라.
그들은 지붕 위에 자라는
풀과 같아서
자라기도 전에 말라 버리는구나.
그것은 베는 자의 손과
묶는 자의 품에 차지도 않는다.
지나가는 자들이
“여호와께서
너를 축복하시기 원한다.
우리가 여호와의 이름으로
너를 축복한다”
하고 말하지 않기를 원하노라.

Het Boek

Psalmen 129

1Een bedevaartslied.

Laat Israël het volgende zeggen:
sinds de tijd dat ons volk ontstond,
zijn wij onderdrukt.
Van het begin af aan
hebben zij ons in moeilijkheden gebracht,
maar zij hebben ons niet overwonnen.
Zij hebben ons onderdrukt
en zelfs gemarteld.
Maar de Here, die rechtvaardig oordeelt,
heeft de touwen waarmee de ongelovigen
ons hadden vastgebonden doorgesneden.
Alle volken die Jeruzalem haten,
zullen te kijk worden gezet en wegvluchten.
Zij lijken op gras dat op de daken groeit
en al is verdord voor het wordt uitgetrokken.
Het kan zelfs niet meer als hooi dienen.
Voor zulke mensen geldt niet de zegenwens:
‘Ik bid dat de Here u zegent.’
Ook niet:
‘Wij zegenen u in de naam van de Here.’