Korean Living Bible

시편 106

하나님의 자비와 이스라엘의 거역

1할렐루야,
여호와께 감사하라.
그는 선하시며
그의 사랑은 영원하다.
여호와께서 행하신 놀라운 일을
누가 다 말할 수 있으며
누가 그를 제대로
찬양할 수 있겠는가?
항상 공정하고
옳은 일을 행하는 자는
복 있는 사람이다.

여호와여, 주의 백성에게
은혜를 베푸실 때
나를 기억하시고
주께서 그들을 구원하실 때
나를 돌아보소서.
주의 백성이 번영하는 것을
내가 보게 하시고
나도 주의 나라의 기쁨을 누리고
주의 [a]백성이 된 것을
그들과 함께 자랑하게 하소서.
우리도 우리 조상들처럼 범죄하여
악을 행하였습니다.
우리 조상들이 이집트에 있을 때
주의 놀라운 일을 깨닫지 못하며
주께서 수없이 베푸신 사랑을
기억하지 않고
홍해에서 주를 거역하였습니다.

그러나 여호와께서
자기 이름을 위해
그들을 구원하셨으니
그의 위대한 능력을
알게 하기 위해서였다.
그가 홍해를 꾸짖자 물이 말랐으니 그가 자기 백성을 인도하여
사막을 지나듯이
바다를 지나가게 하셨다.
10 저가 그들을
원수들의 손에서 구출하셨고
11 그 원수들은 바닷물에 휩쓸려
하나도 살아 남지 못하였다.
12 그러자 그들이 그의 약속을 믿고
그를 찬송하였다.

13 그러나 그들은
여호와께서 행하신 일을
곧 잊어버리고
그의 가르침을 기다리지 않았으며
14 광야에서 지나친 것을 요구하여
하나님을 시험하였다.
15 여호와께서는
그들이 요구한 것을 주셨으나
그들에게 무서운 질병을 보내셨다.
16 그들이 여호와의 거룩한 종
모세와 아론을 질투하였으므로
17 땅이 갈라져 다단을 삼키고
아비람과 그 일당을 덮어 버렸으며
18 하늘에서 불이 내려와
이 악한 무리들을 소멸하였다.

19 그들이 [b]시내산에서
송아지를 만들고
주조된 우상을 숭배하며
20 자기들의 영광을 풀을 뜯어먹는
소의 형상으로 바꾸었다.
21 그들이 자기들을 구원하신
하나님을 잊었으니
그는 이집트에서
위대한 일을 행하시고
22 함 땅에서 기적을,
홍해에서 놀라운 일을
행하신 분이시다.
23 여호와께서 자기 백성을
멸망시키겠다고 말씀하셨을 때
그의 택한 종 모세가
하나님 앞에 중재자로 나서서
그의 분노를 돌이켜
그들을 멸망시키지 않도록 하였다.

24 그들은 좋은 땅을 거절하고
하나님의 약속을 믿지 않았으며
25 자기들의 천막에서 불평하고
여호와께 순종하지 않았다.
26 그러므로 저가 그들을
27 광야에서 죽게 하고
그들의 후손을 전세계에 흩어
외국 땅에서
죽게 하겠다고 맹세하였다.

28 그들이 브올에서
바알의 제사에 참여하여
생명 없는 신들에게
제사한 음식을 먹고
29 그들의 악한 행위로
여호와를 노하게 하였으므로
그들에게 무서운
전염병이 발생하였다.
30 그러나 비느하스가 일어나
범죄한 자들을 처형하였으므로
재앙이 그쳤다.
31 이 일이 그의 의로운 행위로
인정되었으니
오는 세대에 영원히 기억되리라.
32 그들이 므리바에서
여호와를 노하게 하자
모세가 궁지에 빠졌으니
33 그들이
하나님의 성령을 거역하므로
모세가 생각 없이
경솔한 말을 하였음이라.

34 여호와께서 명령하신 대로
그들이 이방 민족들을 죽이지 않고
35 그들과 어울려 못된 풍습을 배우며
36 그들의 우상을 섬겼으니
그것이 그들에게 덫이 되고 말았다.
37 그들이 자기 자녀들을
38 가나안 우상들에게 제물로 바쳐
죄 없는 자식들을 죽였으니
그 땅이 피로 더럽혀졌다.
39 그들은 더러운 행위로
자신을 더럽혔으며
[c]우상을 섬김으로 창녀짓을 하였다.

40 그러므로 여호와께서
자기 백성에게 노하시고
그들을 아주 싫어하셔서
41 이방 나라들에게 넘겨 주셨으니
그들의 원수들이
그들을 지배하였다.
42 그래서 그들은
자기 원수들에게 압박을 당하고
그들에게 굴종하였다.
43 여호와께서 여러 번
자기 백성을 구출하셨으나
그들은 계속 그를 거역하다가
결국 죄로 망하게 되었다.
44 그러나 여호와께서는
그들이 부르짖는 소리를 들으시고
그들의 고통을 돌아보시며
45 그들과 맺은 계약을 기억하시고
그의 크신 사랑으로
마음을 돌이키셔서
46 그들을 포로로 잡아간 자들이
그들을 불쌍히 여기도록 하셨다.

47 우리 하나님 여호와여,
우리를 구원하소서.
여러 나라에서 우리를 모아
우리가 주께 감사하고
주의 거룩한 이름을
찬양하게 하소서.

48 이스라엘의 하나님
여호와를 찬양하라!
[d]지금부터 영원히 그를 찬양하라! 모든 백성들아,
“아멘!” 하고 외쳐라.
[e]여호와를 찬양하라!

Notas al pie

  1. 106:5 또는 ‘기업이’
  2. 106:19 또는 ‘호렙산’ 에서
  3. 106:39 또는 ‘그 행위로’
  4. 106:48 또는 ‘영원부터 영원까지’
  5. 106:48 또는 ‘할렐루야’

Het Boek

Psalmen 106

1Halleluja! Prijs de Here.
Hij is een goede God,
want zijn goedheid en liefde zijn eeuwig.
Zou er iemand zijn
die alle goede daden van de Here
kan omschrijven?
Die Hem alle eer kan brengen
waarop Hij recht heeft?
Gelukkig zijn de mensen
die rechtvaardig leven,
die altijd eerlijk en oprecht optreden.
Denk toch aan mij, Here.
U houdt immers van uw volk?
Red mij!
Dan zal ik alle zegeningen
die U voor uw volk hebt weggelegd,
ook mogen zien.
Dan kan ik mij met uw volk verheugen
en dankbaar zijn met het land
dat U ons hebt gegeven.
Net als onze voorouders
hebben wij heel erg gezondigd.
Wij hebben niet geleefd en gehandeld
volgens uw wil.
Onze voorouders in Egypte
hechtten geen waarde aan uw wonderen.
Zij dachten niet
aan de zeer vele zegeningen
waarmee U hen overlaadde.
Integendeel,
zij kwamen tegen U in opstand bij de Rietzee.
God verloste hen echter toch,
ter wille van zijn eigen naam.
Zo werd zijn grote kracht zichtbaar.
Hij had de macht over die Rietzee
en maakte er een droge weg doorheen.
Zo liepen zij door die watermassa
alsof het een woestijn was.
10 God verloste zijn volk
uit de macht van hun achtervolgers,
11 die overspoeld werden door het water van de Rietzee:
niemand van hen bleef in leven.
12 Toen pas geloofden zij Hem op zijn woord,
zij zongen lofliederen voor Hem.
13 Maar al gauw vergaten zij weer
wat Hij allemaal had gedaan,
zij vroegen God niet om raad.
14 Zij wilden afgoden gaan vereren in de woestijn
en zo daagden zij God uit daar in die woestenij.
15 Zij kregen van Hem wat zij wilden,
maar een deel van het volk kwam om.
16 In het kamp werden zij jaloers op Mozes en Aäron,
die door de Here waren uitgekozen.
17 De aarde ging open en Datan werd verzwolgen,
en met hem ook Abiram
en degenen die met hem gezondigd hadden.
18 Het vuur verbrandde allen die God hadden uitgedaagd.
19 Toen maakten zij bij de berg Horeb een gouden kalf,
zij knielden ervoor neer alsof het een god was.
20 God, de Allerhoogste, ruilden zij in
voor een beeld van een grasetende koe!
21 Zij vergaten God,
die hen uit Egypte had bevrijd
en daarvoor grote wonderen had verricht,
22 al die prachtige wonderen in Egypte
en bij de Rietzee.
23 Op dat moment nam de Here Zich voor
hen te vernietigen.
Maar Mozes, zijn vriend,
kwam voor hen tussenbeide
en voorkwam het.
24 Het prachtige land waar zij naar toe gingen,
verwierpen zij
en ze geloofden niet wat God had gezegd.
25 Zij mopperden in hun tenten
en luisterden niet naar wat de Here zei.
26 Toen werd Hij werkelijk toornig
en zwoer een eed
dat Hij hen allemaal
in de woestijn zou laten sterven.
27 Ook hun nageslacht
zou Hij uiteindelijk
onder vreemde volken laten sterven,
hen wegvoeren naar vreemde landen.
28 Toen zij Baäl-Peor gingen aanbidden
en zelfs de offers van doden aten.
29 Toen zij Hem uitdaagden en kwetsten
door alles wat zij deden,
brak er een plaag uit.
30 Maar de priester Pinechas kwam naar voren,
vond de schuldigen en strafte hen.
Toen hield de plaag ook op.
31 Deze goede daad van hem is nooit vergeten,
altijd zal God Zich dit blijven herinneren.
32 Bij het water van Meriba maakten
de Israëlieten Hem opnieuw boos.
Door hun schuld ging Mozes ook zondigen.
33 Zij waren opstandig tegen de Geest van God
en zonder nadenken sprak hij toen.
34 Ook roeiden zij de volken
die in het land woonden niet allemaal uit,
hoewel de Here dat toch duidelijk had bevolen.
35 In plaats daarvan lieten zij zich in
met die heidense volken
en namen dingen van hen over.
36 Zij dienden hun afgoden
en dat werd uiteindelijk hun ondergang.
37 Hun zonen en dochters offerden zij
aan de boze geesten.
38 Zo vloeide het onschuldige bloed
van hun eigen kinderen.
Zij offerden hen aan de afgoden van het land Kanaän
en het land werd ontheiligd door deze bloedschuld.
39 Door alles wat zij deden,
verontreinigden zij zich voor God.
Door wat zij deden,
pleegden zij overspel:
zij verlieten God en volgden de afgoden.
40 Toen brandde de toorn van de Here tegen hen los.
Hij walgde van zijn volk en hun land.
41 Daarom gaf Hij hen over
in de macht van vreemde volken,
hun vijanden overheersten hen.
42 Zij zuchtten onder de verdrukking
en overmacht van hun tegenstanders.
43 Zo redde God hen vele keren,
maar zij bleven hun eigen weg gaan.
Uiteindelijk was er geen redden meer aan.
44 Telkens echter wanneer God hun onderdrukking zag
en hun kermen hoorde,
45 herinnerde Hij Zich zijn verbond met hen.
Dat was in hun voordeel.
Dan kreeg God,
in zijn grote goedheid en trouw,
medelijden met hen.
46 Steeds vonden zij Hem
en warmden zich aan zijn liefde en vergeving.
Hun ontvoerders stuurden hen zelfs
weer terug naar hun land.
47 Bevrijd ons, Here!
U bent onze God.
Breng ons weer bij elkaar uit alle landen
waarheen wij zijn weggevoerd.
Dan kunnen wij weer met elkaar
uw heilige naam prijzen
en U alle eer brengen.
48 De Here, de God van Israël,
komt alle eer toe!
Van eeuwigheid tot eeuwigheid!
Laat het hele volk
dat bevestigen en ‘amen’ zeggen.
Prijs de Here!