King James Version

Psalm 89

1I will sing of the mercies of the Lord for ever: with my mouth will I make known thy faithfulness to all generations.

For I have said, Mercy shall be built up for ever: thy faithfulness shalt thou establish in the very heavens.

I have made a covenant with my chosen, I have sworn unto David my servant,

Thy seed will I establish for ever, and build up thy throne to all generations. Selah.

And the heavens shall praise thy wonders, O Lord: thy faithfulness also in the congregation of the saints.

For who in the heaven can be compared unto the Lord? who among the sons of the mighty can be likened unto the Lord?

God is greatly to be feared in the assembly of the saints, and to be had in reverence of all them that are about him.

O Lord God of hosts, who is a strong Lord like unto thee? or to thy faithfulness round about thee?

Thou rulest the raging of the sea: when the waves thereof arise, thou stillest them.

10 Thou hast broken Rahab in pieces, as one that is slain; thou hast scattered thine enemies with thy strong arm.

11 The heavens are thine, the earth also is thine: as for the world and the fulness thereof, thou hast founded them.

12 The north and the south thou hast created them: Tabor and Hermon shall rejoice in thy name.

13 Thou hast a mighty arm: strong is thy hand, and high is thy right hand.

14 Justice and judgment are the habitation of thy throne: mercy and truth shall go before thy face.

15 Blessed is the people that know the joyful sound: they shall walk, O Lord, in the light of thy countenance.

16 In thy name shall they rejoice all the day: and in thy righteousness shall they be exalted.

17 For thou art the glory of their strength: and in thy favour our horn shall be exalted.

18 For the Lord is our defence; and the Holy One of Israel is our king.

19 Then thou spakest in vision to thy holy one, and saidst, I have laid help upon one that is mighty; I have exalted one chosen out of the people.

20 I have found David my servant; with my holy oil have I anointed him:

21 With whom my hand shall be established: mine arm also shall strengthen him.

22 The enemy shall not exact upon him; nor the son of wickedness afflict him.

23 And I will beat down his foes before his face, and plague them that hate him.

24 But my faithfulness and my mercy shall be with him: and in my name shall his horn be exalted.

25 I will set his hand also in the sea, and his right hand in the rivers.

26 He shall cry unto me, Thou art my father, my God, and the rock of my salvation.

27 Also I will make him my firstborn, higher than the kings of the earth.

28 My mercy will I keep for him for evermore, and my covenant shall stand fast with him.

29 His seed also will I make to endure for ever, and his throne as the days of heaven.

30 If his children forsake my law, and walk not in my judgments;

31 If they break my statutes, and keep not my commandments;

32 Then will I visit their transgression with the rod, and their iniquity with stripes.

33 Nevertheless my lovingkindness will I not utterly take from him, nor suffer my faithfulness to fail.

34 My covenant will I not break, nor alter the thing that is gone out of my lips.

35 Once have I sworn by my holiness that I will not lie unto David.

36 His seed shall endure for ever, and his throne as the sun before me.

37 It shall be established for ever as the moon, and as a faithful witness in heaven. Selah.

38 But thou hast cast off and abhorred, thou hast been wroth with thine anointed.

39 Thou hast made void the covenant of thy servant: thou hast profaned his crown by casting it to the ground.

40 Thou hast broken down all his hedges; thou hast brought his strong holds to ruin.

41 All that pass by the way spoil him: he is a reproach to his neighbours.

42 Thou hast set up the right hand of his adversaries; thou hast made all his enemies to rejoice.

43 Thou hast also turned the edge of his sword, and hast not made him to stand in the battle.

44 Thou hast made his glory to cease, and cast his throne down to the ground.

45 The days of his youth hast thou shortened: thou hast covered him with shame. Selah.

46 How long, Lord? wilt thou hide thyself for ever? shall thy wrath burn like fire?

47 Remember how short my time is: wherefore hast thou made all men in vain?

48 What man is he that liveth, and shall not see death? shall he deliver his soul from the hand of the grave? Selah.

49 Lord, where are thy former lovingkindnesses, which thou swarest unto David in thy truth?

50 Remember, Lord, the reproach of thy servants; how I do bear in my bosom the reproach of all the mighty people;

51 Wherewith thine enemies have reproached, O Lord; wherewith they have reproached the footsteps of thine anointed.

52 Blessed be the Lord for evermore. Amen, and Amen.

Het Boek

Psalmen 89

1Een leerzaam gedicht van de Ezrahiet Ethan.

Ik wil alleen nog maar zingen
van de goedheid en genade van de Here,
van alles wat Hij voor mij heeft gedaan.
Van generatie op generatie
zal ik getuigen van uw trouw.
Ik zeg dan:
uw goedheid en liefde gelden eeuwig,
tot in de hemel blijkt hoe trouw U bent.
De Here zegt:
Ik heb een verbond gesloten
met de man die Ik heb uitgekozen,
dat heb Ik gezworen aan mijn dienaar David.
Ik zei tegen hem:
Ik zal uw nageslacht blijven zegenen,
van generatie op generatie
zullen uw kinderen op de troon blijven.
Here, daarom wordt uw grote macht
tot in de hemel geprezen.
Alle gelovigen loven U om uw trouw.
Kan in de hemel iemand
zich meten met de Here?
Is er op aarde
een god als onze Here?
God dwingt ontzag en respect af
van de heilige engelen die Hem omringen.
Here, God van de hemelse legers,
wie is zo groot en machtig als U?
Uw trouw omgeeft U.
10 U beheerst de woede van de zee,
als de golven hoog oprijzen, brengt U ze tot rust.
11 U hebt Egypte vernietigd
en al uw vijanden door uw kracht verspreid.
12 De hemel is van U
en ook de aarde behoort U toe.
U hebt de wereld en alles wat erop leeft, geschapen.
13 Van noord tot zuid hebt U alles gemaakt.
De bergen juichen U toe.
14 Uw arm is machtig en uw hand is sterk.
Uw rechterhand is de hoogste op aarde.
15 Alles wat U doet, is recht en rechtvaardig.
Goedheid, liefde en trouw
zijn alleen op U van toepassing.
16 Gelukkig is het volk dat U eert, Here,
zij gaan hun weg met U, in uw licht.
17 De hele dag prijzen zij uw naam
en dankzij uw rechtvaardigheid staan zij sterk.
18 Want U bent het kenmerk van hun kracht,
door uw liefde en goedkeuring ontvangen wij een hoge positie.
19 De Here beschermt ons
en de Heilige God van Israël is onze Koning.
20 In het verleden hebt U tegen uw volgelingen gezegd:
‘Ik heb mijn hulp toegezegd aan een dapper man,
één man uit uw volk koos Ik speciaal uit.
21 Ik vond mijn dienaar David
en heb hem met gewijde olie gezalfd.
22 Mijn hand zal hem ondersteunen
en mijn arm zal hem sterk maken.
23 De vijand zal hem niet in zijn macht krijgen
en geen misdadiger zal hem kwaad kunnen doen.
24 Integendeel, Ik zal zijn tegenstanders voor hem vernietigen.
Wie hem haten, zullen Mij tegenkomen.
25 Maar al mijn trouw en liefde zijn voor hem.
Dankzij Mij bekleedt hij een hoge positie.
26 Ik geef hem zelfs gezag over zeeën en rivieren.
27 Hij zal Mij zijn Vader noemen.
Ik zal zijn God zijn
en de rots waar hij zijn redding vindt.
28 Ik zal hem behandelen als een oudste zoon,
als een van de hoogste koningen op aarde.
29 Mijn goedheid en liefde zijn blijvend voor hem,
mijn verbond met hem kan niet meer worden verbroken.
30 Zijn nageslacht zal altijd blijven bestaan
en zijn troon is onaantastbaar.
31 Als zijn zonen mijn wetten negeren
en niet meer leven volgens mijn leefregels,
32 als zij mijn voorschriften ontwijden
en mijn geboden niet meer houden,
33 zal Ik hen straffen en allerlei plagen sturen.
34 Maar mijn goedheid en liefde voor hem
blijven onveranderd, Ik blijf hem trouw.
35 En ook mijn verbond met hem
blijf Ik trouw, dat is Mij heilig.
Wat Ik heb beloofd, zal Ik doen.
36 Ik heb het immers eens bij Mij Zelf gezworen!
Ik kan David niet in de steek laten.
37 Zijn nageslacht zal altijd voortleven
en zijn troon is onwankelbaar, net als de zon.
38 Net als de maan zal hij er altijd zijn,
want Hij die vanuit de hemel getuigt, is trouw.’
39 Maar toch hebt U uw uitverkorene
van U weggedaan en hem verworpen.
U bent boos op hem geworden.
40 U hebt uw verbond met uw dienaar vernietigd
en hem de kroon van het hoofd gestoten.
41 Zijn muren hebt U afgebroken
en zijn sterke burchten tot puin gemaakt.
42 Mensen die langskwamen
hebben zijn bezittingen geplunderd.
Zijn buren dreven de spot met hem.
43 Zijn tegenstanders bleken sterker
en zijn vijanden overwonnen hem.
44 Ook zijn zwaard gaf hem geen overwinning
en hij moest zich in de oorlogen gewonnen geven.
45 Er was geen eer meer voor hem over
en zijn troon hebt U omver geworpen.
46 Hij werd vroeg oud en werd met schande overladen.
47 Moet dit nog lang duren, Here?
Blijft U Zich voor mij verbergen?
Blijft uw toorn branden als het heetste vuur?
48 Denk er alstublieft aan
dat ik maar een vergankelijk mens ben.
U hebt de mensen Zelf geschapen,
dus U weet hoe kort zij leven.
49 Er is immers geen mens die niet zal sterven?
Niemand kan toch ontkomen aan het dodenrijk?
50 Waar zijn nu de blijken van uw genade, Here?
U hebt die eens aan ons toegezegd,
zelfs met een eed aan David gezworen.
51 Kijk toch, Here, hoe uw dienaren worden bespot
en hoe alle volken ons uitlachen.
52 Hoe ook uw tegenstanders de spot met ons drijven, Here.
Zij drijven de spot met hem die door U tot koning is gezalfd!
53 Alle lof en eer is voor de Here, tot in eeuwigheid.
Laat ieder die dit hoort daarmee instemmen.
Amen.