King James Version

Psalm 50

1The mighty God, even the Lord, hath spoken, and called the earth from the rising of the sun unto the going down thereof.

Out of Zion, the perfection of beauty, God hath shined.

Our God shall come, and shall not keep silence: a fire shall devour before him, and it shall be very tempestuous round about him.

He shall call to the heavens from above, and to the earth, that he may judge his people.

Gather my saints together unto me; those that have made a covenant with me by sacrifice.

And the heavens shall declare his righteousness: for God is judge himself. Selah.

Hear, O my people, and I will speak; O Israel, and I will testify against thee: I am God, even thy God.

I will not reprove thee for thy sacrifices or thy burnt offerings, to have been continually before me.

I will take no bullock out of thy house, nor he goats out of thy folds.

10 For every beast of the forest is mine, and the cattle upon a thousand hills.

11 I know all the fowls of the mountains: and the wild beasts of the field are mine.

12 If I were hungry, I would not tell thee: for the world is mine, and the fulness thereof.

13 Will I eat the flesh of bulls, or drink the blood of goats?

14 Offer unto God thanksgiving; and pay thy vows unto the most High:

15 And call upon me in the day of trouble: I will deliver thee, and thou shalt glorify me.

16 But unto the wicked God saith, What hast thou to do to declare my statutes, or that thou shouldest take my covenant in thy mouth?

17 Seeing thou hatest instruction, and casteth my words behind thee.

18 When thou sawest a thief, then thou consentedst with him, and hast been partaker with adulterers.

19 Thou givest thy mouth to evil, and thy tongue frameth deceit.

20 Thou sittest and speakest against thy brother; thou slanderest thine own mother's son.

21 These things hast thou done, and I kept silence; thou thoughtest that I was altogether such an one as thyself: but I will reprove thee, and set them in order before thine eyes.

22 Now consider this, ye that forget God, lest I tear you in pieces, and there be none to deliver.

23 Whoso offereth praise glorifieth me: and to him that ordereth his conversation aright will I shew the salvation of God.

Het Boek

Psalmen 50

1Een psalm van Asaf.

De Here, de enig ware God, neemt het woord
en roept naar de hele aarde, van oost tot west.
God komt
met een ongelooflijke, prachtige glans
vanuit Jeruzalem naar ons toe.
God is in aantocht en zal niet zwijgen,
omdat Hij móet spreken.
Een laaiend vuur gaat voor hem uit
en om Hem heen davert een storm.
God roept tot in de hemelen
en naar de aarde
om zijn volk te onderwijzen.
Laten mijn volgelingen bijeenkomen,
zij die mijn verbond erkennen
en Mij hun offers brengen.
De hemel zelf laat horen
wat recht en gerechtigheid is,
want God is de enige rechter.
‘Luister, mijn volk!
Israël, Ik zal nu spreken
en tegen u getuigen.
Ik ben God, uw God.
Ik wijs u niet terecht
omdat u verzuimd zou hebben
Mij offers te brengen.
Want Ik heb al uw brandoffers gezien.
Uit uw stallen neem ik geen stieren aan
en ook geen bokken.
10 Alle dieren in het bos zijn al van Mij,
het vee dat op de berghellingen graast
en al de rijkdom aan rundvee.
11 Alle vogels die op de bergen nestelen,
ken Ik
en wat door het veld loopt,
is al van Mij.
12 Wanneer Ik honger heb,
zal Ik u niet te hulp roepen,
want alles op de hele wereld
is van Mij.
13 Eet Ik soms het vlees van geofferde stieren?
Drink ik soms bloed van geofferde bokken?
14 Breng lof en eer aan God:
dat is pas een echt offer!
Kom uw beloften na
die u aan de Allerhoogste hebt gedaan.
15 Roep Mij te hulp in moeilijke tijden,
dan zal Ik u redden
en u zult Mij loven en prijzen.’
16 Maar tegen de ongelovige zegt God:
‘Waarom bemoeit u zich met mijn wetten?
Waarom spreekt u over mijn verbond?
17 U bent immers alleen maar ongehoorzaam
en laat mijn woord links liggen.
18 U speelt onder één hoedje met de dieven,
overspel is u niet vreemd.
19 In uw drift slaat u de vreselijkste taal uit
en met uw mond bedriegt u.
20 U keert zich zelfs tegen uw eigen broer,
u roddelt over uw moeders andere zoon.
21 Terwijl u dit deed,
zweeg Ik in alle talen.
Nu verbeeldt u zich dat Ik met u ben
en net zo denk als u.
22 Ongelovige, die God vergeet,
laat dit alles goed tot u doordringen,
want anders zal Ik u vernietigen
en kan niemand u meer redden.
23 Wie Mij eert,
brengt het ware offer.
Aan wie die weg gaat
zal Ik laten zien wat mijn heil inhoudt.’