King James Version

Psalm 35

1Plead my cause, O Lord, with them that strive with me: fight against them that fight against me.

Take hold of shield and buckler, and stand up for mine help.

Draw out also the spear, and stop the way against them that persecute me: say unto my soul, I am thy salvation.

Let them be confounded and put to shame that seek after my soul: let them be turned back and brought to confusion that devise my hurt.

Let them be as chaff before the wind: and let the angel of the Lord chase them.

Let their way be dark and slippery: and let the angel of the Lord persecute them.

For without cause have they hid for me their net in a pit, which without cause they have digged for my soul.

Let destruction come upon him at unawares; and let his net that he hath hid catch himself: into that very destruction let him fall.

And my soul shall be joyful in the Lord: it shall rejoice in his salvation.

10 All my bones shall say, Lord, who is like unto thee, which deliverest the poor from him that is too strong for him, yea, the poor and the needy from him that spoileth him?

11 False witnesses did rise up; they laid to my charge things that I knew not.

12 They rewarded me evil for good to the spoiling of my soul.

13 But as for me, when they were sick, my clothing was sackcloth: I humbled my soul with fasting; and my prayer returned into mine own bosom.

14 I behaved myself as though he had been my friend or brother: I bowed down heavily, as one that mourneth for his mother.

15 But in mine adversity they rejoiced, and gathered themselves together: yea, the abjects gathered themselves together against me, and I knew it not; they did tear me, and ceased not:

16 With hypocritical mockers in feasts, they gnashed upon me with their teeth.

17 Lord, how long wilt thou look on? rescue my soul from their destructions, my darling from the lions.

18 I will give thee thanks in the great congregation: I will praise thee among much people.

19 Let not them that are mine enemies wrongfully rejoice over me: neither let them wink with the eye that hate me without a cause.

20 For they speak not peace: but they devise deceitful matters against them that are quiet in the land.

21 Yea, they opened their mouth wide against me, and said, Aha, aha, our eye hath seen it.

22 This thou hast seen, O Lord: keep not silence: O Lord, be not far from me.

23 Stir up thyself, and awake to my judgment, even unto my cause, my God and my Lord.

24 Judge me, O Lord my God, according to thy righteousness; and let them not rejoice over me.

25 Let them not say in their hearts, Ah, so would we have it: let them not say, We have swallowed him up.

26 Let them be ashamed and brought to confusion together that rejoice at mine hurt: let them be clothed with shame and dishonour that magnify themselves against me.

27 Let them shout for joy, and be glad, that favour my righteous cause: yea, let them say continually, Let the Lord be magnified, which hath pleasure in the prosperity of his servant.

28 And my tongue shall speak of thy righteousness and of thy praise all the day long.

Het Boek

Psalmen 35

1Een lied van David.

Here, als sommigen met mij argumenteren,
wilt U dan voor mij antwoorden?
Als iemand mij aanvalt,
vecht U dan voor mij terug.
Neem uw wapens op
en kom mij te hulp!
Val mijn achtervolgers aan.
Laat mij weten dat U mij zult verlossen!
Laat hen die mij willen doden,
voor schut staan.
Laat hen die slechte plannen tegen mij beramen,
beschaamd afdruipen.
Verstrooi hen als kaf in de wind,
op het moment dat uw Engel hen neerslaat.
Zij gaan op donkere, glibberige wegen
en de Engel van de Here achtervolgt hen daarop.
Want zonder aanleiding spanden zij een net voor mij
en groeven een valkuil om mij te vangen.
Ik hoop dat zij zonder het te merken zelf omkomen.
Dat zij in hun eigen kuil zullen vallen.
Ik verheug mij in de Here,
ik zing een loflied over zijn hulp en bevrijding.
10 Alles in mij juicht:
Here, wie kan U evenaren?
U bevrijdt arme en beproefde mensen
van hun onderdrukkers en berovers.
11 Leugenachtige getuigen nemen het woord
en vragen mij dingen die ik helemaal niet weet.
12 Zij vergelden goed met kwaad.
Mijn ziel is eenzaam geworden.
13 Zelf heb ik mij direct in rouwkleding gestoken
toen zij ziek waren.
Ik vernederde mij voor U met vasten
wanneer mijn gebed niet verhoord werd.
14 Ik liep rond alsof het mijn broer of mijn vriend betrof,
ik ging in het zwart alsof mijn moeder was gestorven.
15 Maar toen ík een keer in problemen zat,
lachten zij om mij en liepen te hoop om mij te zien.
Zelfs onbekenden begonnen mij te slaan
en maakten mij onophoudelijk bespottelijk.
16 Een heel stel ongelovige, spotlustige lieden
bedreigde mij.
17 Here,
hoe lang laat U hen nog hun gang gaan?
Verlos mij toch, ik ben eenzaam.
Laten zij mij niet verslinden.
18 Dan zal ik U te midden van alle gelovigen loven,
U prijzen waar iedereen bij is.
19 Laten mijn valse tegenstanders toch geen plezier over mij hebben!
Er zijn er die mij zonder reden haten!
20 Zij zijn niet op vrede uit.
Zij maken slechte plannen,
gericht tegen hen die in rust en stilte leven.
21 Zij bedreigen mij en zeggen:
‘Ha! Wij hebben het wel gezien!’
22 U ziet alles, Here, wilt U optreden?
Och Here, laat mij niet in de steek!
23 Sta op en vecht voor mijn recht.
God, mijn Here, voert U voor mij het woord in de rechtzaal.
24 Laat uw recht over mij beslissen, Here, mijn God,
zodat zij geen leedvermaak over mij kunnen hebben.
25 Dat zij niet kunnen denken:
‘Ha! Nu gebeurt wat wij willen!
Wij hebben hem eronder gekregen!’
26 Laten zij zich maar schamen,
al die mensen die op mijn ondergang zitten te wachten.
Ik hoop dat allen die mij verachten, te schande worden gemaakt.
27 Maar ik wil dat alle mensen
die verlangen naar mijn vrijspraak,
zullen juichen en zich verheugen.
Dat zij voortdurend de Here zullen grootmaken en zeggen:
‘De Here trekt Zich het lot van zijn geliefde dienaar aan.’
28 Zelf zal ik dag in, dag uit
over uw rechtvaardigheid spreken
en U loven en prijzen.