King James Version

Psalm 130

1Out of the depths have I cried unto thee, O Lord.

Lord, hear my voice: let thine ears be attentive to the voice of my supplications.

If thou, Lord, shouldest mark iniquities, O Lord, who shall stand?

But there is forgiveness with thee, that thou mayest be feared.

I wait for the Lord, my soul doth wait, and in his word do I hope.

My soul waiteth for the Lord more than they that watch for the morning: I say, more than they that watch for the morning.

Let Israel hope in the Lord: for with the Lord there is mercy, and with him is plenteous redemption.

And he shall redeem Israel from all his iniquities.

Het Boek

Psalmen 130

1Een bedevaartslied.

Ik zit zo diep in de put, Here,
en ik roep naar U.
Luister naar mij, Here.
Laten uw oren naar mij luisteren.
Here, als U al onze zonden blijft onthouden,
kunnen wij immers niet blijven leven?
Maar ik weet dat U vergeeft,
zodat iedereen ontzag voor U zal hebben.
Ik verwacht alles van de Here.
Ik ken zijn woord en heb er alle vertrouwen in.
Ik zie uit naar de Here.
Ik zie naar Hem uit met nog meer verlangen
dan de nachtwachter uitkijkt naar de nieuwe morgen.
Laten de Israëlieten al hun vertrouwen op de Here stellen,
want de Here is rijk aan goedheid en liefde.
Hij zorgt voor de bevrijding.
Hij zal het volk Israël bevrijden
van al zijn zonden.